Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 januari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2019, waarin verdachte werd veroordeeld voor het bezit van amfetamine, LSD, cocaïne, MDMA en 2C-B, zoals bedoeld in artikel 2.C van de Opiumwet. De verdachte stelde in cassatie klachten in over de motivering van de bewezenverklaring.
De advocaat-generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De raadsman van verdachte reageerde hier schriftelijk op, maar de Hoge Raad oordeelde dat het beroep duidelijk niet kon slagen.
Daarom maakte de Hoge Raad gebruik van de mogelijkheid om het beroep zonder nadere motivering niet-ontvankelijk te verklaren. Het arrest werd uitgesproken op 12 januari 2021 door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.