Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
20 april 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor het opzettelijk telen van hennep en het diefstal van elektriciteit door middel van verbreking ten behoeve van een hennepkwekerij in een gehuurd bedrijfspand.
Het hof had bewezen verklaard dat de verdachte betrokken was bij de hennepteelt en dat hij elektriciteit van Liander had weggenomen door de zegels van de hoofdzekeringskast te verbreken en een illegale aansluiting te maken. De verdachte erkende betrokkenheid bij de kwekerij en wist van de diefstal, maar stelde dat hij slechts de ruimte ter beschikking stelde en dat anderen de kwekerij exploiteerden.
De Hoge Raad oordeelt dat het aantreffen van een hennepkwekerij met aanwijzingen van illegale elektriciteitsafname niet automatisch bewijs levert voor diefstal van elektriciteit door de verdachte. Het hof had onvoldoende zelfstandige aandacht besteed aan de bewijsvoering voor de diefstal van elektriciteit. De Hoge Raad verduidelijkt dat elektriciteit pas wordt weggenomen door het verbruik ervan via apparaten, en dat het algemene uitgangspunt dat de rechthebbende weet wat er in zijn pand gebeurt, niet volstaat voor bewijs van opzettelijke diefstal.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de diefstal van elektriciteit en de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het onderdeel diefstal elektriciteit en terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.