ECLI:NL:HR:2021:519
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking belastingrente bij intrekking beleid door Belastingdienst
In deze zaak stond de vraag centraal of de belastingrente terecht en in de juiste omvang was berekend over de vennootschapsbelasting voor het jaar 2016 ten aanzien van belanghebbende. De voorlopige aanslag was aanvankelijk vastgesteld op € 350.452 en later aangepast naar een hogere aanslag met een bijbehorende belastingrente.
Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat de belastingrente beperkt moest worden tot de periode waarin de Belastingdienst niet over het geld beschikte, verwijzend naar een eerdere uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden. Het Hof volgde dit standpunt en paste de rente dienovereenkomstig aan.
De Staatssecretaris voerde in cassatie aan dat er geen sprake was van een beleidswijziging en dat het vertrouwen op het niet berekenen van rente niet gerechtvaardigd was, omdat de Landelijke vakgroep Formeel recht niet bevoegd was beleid uit te vaardigen. De Hoge Raad verwierp dit middel, verwijzend naar een eerder arrest waarin deze punten reeds waren beoordeeld.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten, waarmee de uitspraak van het Hof werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de belastingrente wordt beperkt tot de periode waarin de Belastingdienst niet over het geld beschikte.