Belanghebbende, een vennootschap, kreeg voor het jaar 2015 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, waarbij belastingrente werd berekend. Na een foutieve aangifte en daaropvolgende ambtshalve vermindering van de voorlopige aanslag tot nihil, legde de Inspecteur een definitieve aanslag op met een belastingrentebeschikking van €1.786. Belanghebbende stelde dat de belastingrente onterecht was berekend over een periode waarin de Belastingdienst reeds over het geld beschikte en beriep zich op begunstigend beleid.
Het Hof stelde vast dat uit verslagen van de Landelijke vakgroep Formeel recht blijkt dat er in de relevante periode sprake was van begunstigend beleid waarbij belastingrente niet wordt berekend over perioden waarin de fiscus al over het geld beschikte. Dit beleid was niet formeel vastgelegd maar bindend. Hoewel de Staatssecretaris later het beleid ontkende en mogelijk introk, kon die intrekking niet met terugwerkende kracht aan belanghebbende worden tegengeworpen.
Het Hof vernietigde de eerdere uitspraken en de beschikking belastingrente, en beperkte de belastingrente tot €190, zijnde de rente over de periode tussen de teruggave en de definitieve aanslag. Tevens veroordeelde het Hof de Inspecteur in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed.