Uitspraak
kantoorhoudende te ’s-Hertogenbosch,
gevestigd te [vestigingsplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 april 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of rangwijziging van het recht van pand mogelijk is en welke eisen daaraan gesteld worden, alsmede de reikwijdte van de inningsbevoegdheid van de pandhouder op grond van art. 3:246 lid 1 BW Pro. De zaak betrof een groep vennootschappen met meerdere pandrechten op vorderingen, waarbij de moedermaatschappij Holding een tweede pandrecht had en Beheer een derde pandrecht. De bank had een eerste pandrecht en had de vorderingen geïnd, waarbij een overschot ontstond.
De rechtbank en het hof hadden geoordeeld dat het pandrecht van Holding in rang staat boven dat van Beheer en dat het overschot aan Holding toekomt. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat rangwijziging van pandrechten mogelijk is door middel van een authentieke of geregistreerde akte met instemming van de pandhouders wier rang wordt verlaagd, analoog aan art. 3:262 BW Pro voor hypotheken. Deze instemming kan ook later vormvrij worden gegeven.
Verder verduidelijkte de Hoge Raad dat de pandhouder bevoegd is om alle verpande vorderingen te innen, ongeacht het beloop van de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd. De inningsbevoegdheid strekt zich ook uit over overschotten die door een hogere pandhouder zijn geïnd ten behoeve van lagere pandhouders. Hiermee komt de Hoge Raad gedeeltelijk terug op een eerdere uitspraak uit 2015.
Het cassatieberoep van de curator werd verworpen en de curator werd veroordeeld in de kosten van het geding. De uitspraak bevestigt belangrijke rechtsprincipes omtrent de rangorde en inning van pandrechten binnen faillissementen en financiële herstructureringen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de curator wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.