ECLI:NL:HR:2021:557

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 april 2021
Publicatiedatum
9 april 2021
Zaaknummer
20/01674
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 36f SrArt. 6:4:20 SvArt. 140.1 Sr
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel en vermindering taakstraf wegens termijnoverschrijding

De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 april 2021 het beroep in cassatie behandeld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak betreffende deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met illegale autohandel.

De verdachte had een taakstraf en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd gekregen, waarbij vervangende hechtenis kon worden toegepast bij niet-betaling. De Hoge Raad oordeelde dat de toepassing van vervangende hechtenis in dit kader niet juist was en vernietigde dat deel van het arrest. Tevens bepaalde de Hoge Raad dat gijzeling van gelijke duur als vervangende sanctie kan worden toegepast.

Daarnaast werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in het EVRM was overschreden door de late inzending van stukken door het hof, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde taakstraf van 200 uur naar 170 uur, respectievelijk van 100 dagen vervangende hechtenis naar 85 dagen.

Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee het arrest van het hof grotendeels in stand bleef.

Uitkomst: Vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel vernietigd en taakstraf verminderd wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/01674
Datum13 april 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2018, nummer 24/001463-09, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de duur van de opgelegde straf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregelen vervangende hechtenis is toegepast en dat de Hoge Raad bepaalt dat telkens gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
3.2
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.
3.3
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis. In de omstandigheid dat de Hoge Raad als gevolg van de vertraging van meer dan twaalf maanden die is opgetreden bij de inzending van de stukken, pas nu uitspraak kan doen, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde taakstraf te verminderen met dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast en wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 170 uren, subsidiair 85 dagen hechtenis belopen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 april 2021.