AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling nakoming en uitleg overeenkomst levering en installatie lichtplan
In deze zaak stond de vraag centraal of de overeenkomst tot levering en installatie van een lichtplan door de verweerster deugdelijk was nagekomen. De opdrachtgever stelde dat dit niet het geval was en stelde het hof aansprakelijk. Na eerdere uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het gerechtshof 's-Hertogenbosch, werd het cassatieberoep door de Hoge Raad behandeld.
De Hoge Raad heeft de klachten van de opdrachtgever over de arresten van het hof beoordeeld, maar deze klachten konden niet leiden tot vernietiging van de eerdere uitspraken. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering van het oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep werd verworpen en de opdrachtgever werd veroordeeld in de kosten van het geding, die aan de zijde van de verweerster op nihil werden begroot. Hiermee werd de eerdere rechtspraak bevestigd dat de verweerster haar verplichtingen uit de overeenkomst naar behoren was nagekomen.
De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Tanja-van den Broek, Lock en in het openbaar uitgesproken door Kroeze op 16 april 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de opdrachtgever wordt verworpen en de eerdere uitspraken worden bekrachtigd.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01290
Datum16 april 2021
ARREST
In de zaak van
[de opdrachtgeefster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [de opdrachtgeefster],
advocaat: M.J. van Basten Batenburg,
tegen
[verweerster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/02/326128 / HA ZA 17-59 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 juli 2017;
de arresten in de zaak 200.225.897/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 februari 2019 en 21 januari 2020.
[de opdrachtgeefster] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [de opdrachtgeefster] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van deze arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [de opdrachtgeefster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 16 april 2021.