ECLI:NL:HR:2021:624

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 april 2021
Publicatiedatum
19 april 2021
Zaaknummer
20/03889
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 465 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot herziening afgewezen wegens ontbreken onherroepelijke veroordeling in Arnhemse Villamoord

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een vonnis van de rechtbank te Arnhem uit 1999, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweldpleging met dodelijke afloop. Het gerechtshof Arnhem vernietigde dit vonnis in 2000 en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens het overlijden van verdachte.

De aanvraag tot herziening werd ingediend door de zuster van de overleden verdachte. De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van de aanvraag. De Hoge Raad overwoog dat omdat het vonnis waarvan herziening werd gevraagd geen onherroepelijke veroordeling is, de Hoge Raad het verzoek niet in behandeling kan nemen op grond van artikel 457 lid 1 en Pro artikel 465 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

De Hoge Raad verklaarde de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk en wees daarmee het verzoek af. De uitspraak werd gedaan door een kamer bestaande uit vijf raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken van een onherroepelijke veroordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03889 H
Datum20 april 2021
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een vonnis van de rechtbank te Arnhem van 29 december 1999, nummer 05-072607-99, ingediend door P.B.A. Acda, advocaat te Roermond,
namens
[aanvraagster],
zuster van [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, overleden te [plaats] op 3 augustus 2000,
hierna: de aanvraagster.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

1.1
De rechtbank heeft [verdachte] veroordeeld voor, kort gezegd, medeplegen van diefstal met geweldpleging tegen twee personen die de dood van een persoon ten gevolge heeft, tot een gevangenisstraf van acht jaren.
1.2
Het gerechtshof te Arnhem heeft bij onherroepelijk geworden arrest van 21 augustus 2000 de uitspraak waarvan herziening is gevraagd, vernietigd en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van [verdachte] omdat is gebleken dat [verdachte] op 3 augustus 2000 is overleden.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.De conclusie van de advocaat-generaal

3.1
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de herzieningsaanvraag.
3.2
De raadsman van de aanvraagster heeft daarop schriftelijk gereageerd.

4.Beoordeling van de aanvraag

De aanvraag kan niet tot herziening leiden omdat de uitspraak waarvan herziening is gevraagd – als gevolg van de onder 1.2 vermelde vernietiging van dat vonnis van de rechtbank en de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging – geen onherroepelijke veroordeling betreft en daarom geen uitspraak in de zin van artikel 457 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is. Het gevolg daarvan is – gelet op artikel 465 lid 1 Sv Pro – dat de Hoge Raad het verzoek niet in behandeling kan nemen.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 april 2021.