Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de advocaat-generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
20 april 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een vonnis van de rechtbank te Arnhem uit 1999, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweldpleging met dodelijke afloop. Het gerechtshof Arnhem vernietigde dit vonnis in 2000 en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens het overlijden van verdachte.
De aanvraag tot herziening werd ingediend door de zuster van de overleden verdachte. De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van de aanvraag. De Hoge Raad overwoog dat omdat het vonnis waarvan herziening werd gevraagd geen onherroepelijke veroordeling is, de Hoge Raad het verzoek niet in behandeling kan nemen op grond van artikel 457 lid 1 en Pro artikel 465 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad verklaarde de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk en wees daarmee het verzoek af. De uitspraak werd gedaan door een kamer bestaande uit vijf raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken van een onherroepelijke veroordeling.