Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
20 april 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor de uitvoer van verdovende middelen in strijd met de Opiumwet.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waarvan de Hoge Raad het eerste middel ongegrond verklaarde zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. Het tweede middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging. De straf werd verminderd van zeven jaren en zes maanden naar zeven jaren en drie maanden gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers op 20 april 2021.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van zeven jaren en zes maanden naar zeven jaren en drie maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.