Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
medeplegen van witwassen” ontslagen van alle rechtsvervolging voor zover dit betrekking heeft op het witwassen van een geldbedrag en wegens 1. “
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3.
“medeplegen van witwassen(van een personenauto)
”en 4. “
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor duur van zeven jaar en zes maanden met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
eerste middelklaagt dat het hof niet (afdoende) heeft gerespondeerd op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging. Het middel heeft betrekking op de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
'
'
'
'
'
onder meeruit deze telefonische contacten, het sms-verkeer en de locatiegegevens (van onder meer de betrokken auto) de betrokkenheid van de verdachte blijkt. In dat oordeel ligt besloten dat het hof kennelijk geen geloof heeft gehecht aan het door de verdediging in hoger beroep geschetste alternatieve scenario, namelijk dat het ging om (vriendschappelijke) contacten die niets met de transporten te maken hadden en de mogelijke betrokkenheid van een ander dan de verdachte bij de transporten. Dat oordeel acht ik geenszins onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario zeer onwaarschijnlijk is en in hoge mate berust op toevalligheden. Tevens heeft de verdachte zelf, zoals het hof ook heeft overwogen, over de genoemde feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van feit 1 en 2 geen verklaring willen afleggen. Bovendien sluit de mogelijke betrokkenheid van een ander, die eveneens woonachtig is in de nabijheid van de locaties waar de gebruikte auto heeft stilgestaan, de betrokkenheid van de verdachte niet uit. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
tweede middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.