“De verdediging heeft (primair) integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Er is onvoldoende bewijs dat verdachte feit 1 (het transport van heroïne naar Groot-Brittannië op 2 augustus 2009) heeft medegepleegd. Weliswaar kan uit het dossier worden afgeleid dat de personen die (direct) aan het transport kunnen worden gekoppeld en/of aan de betrokken Peugeot met kenteken [kenteken 2] , te weten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [medeverdachte] , op bepaalde momenten in contact hebben gestaan met verdachte dan wel zich in de buurt van zijn woning hebben bevonden, maar dat betekent niet dat verdachte bij het transport betrokken was. Niet vaststaat dat die contacten betrekking hadden op het transport van drugs. Daarnaast heeft de Peugeot ook op andere plaatsen stilgestaan. Er is geen forensisch bewijs tegen verdachte. Verdachte ontkent betrokkenheid en ook de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben bij de raadsheer-commissaris verklaard dat verdachte niets met het transport te maken had.
Bij de onder 2 ten laste gelegde transporten kan niet worden bewezen dat telkens heroïne en/of andere harddrugs zijn uitgevoerd, ook niet via een schakelbewijsconstructie. Het enkele feit dat de modus operandi overeenkomt met die van het transport van heroïne op 2 augustus 2009 (feit 1) is daartoe onvoldoende. Verder geldt ook hier dat bewijs van betrokkenheid van verdachte bij een van de tenlastegelegde transporten ontbreekt. Dat de creditcard en het e-mailadres van verdachte zijn gebruikt bij de boeking van een reis van Harwich naar Hoek van Holland op 21 december 2008 betekent niet dat verdachte dat heeft gedaan. De verdediging wijst in dit verband ook op de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij de raadsheer-commissaris en de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 7] . Voorts staat niet vast dat verdachte de gebruiker was van het telefoonnummer eindigend op [001] . Als verdachte al de gebruiker van dat telefoonnummer zou zijn, blijkt uit de tapgesprekken van 1 tot 27 mei 2009 niet dat daadwerkelijk is gesproken over (eerdere) leveringen van verschillende soorten verdovende middelen.
(…)
Het hof overweegt hieromtrent, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, als volgt.
Met betrekking tot de feiten 1 en 2
De tenlastegelegde transporten onder 1 van 2 augustus 2009 en onder 2 van 10 mei 2009 en december 2008 acht het hof bewezen op grond van de hiervoor ter zake van die transporten weergegeven bewijsmiddelen. De modus operandi komt in die gevallen in de kern neer op het telkens huren van een soortgelijk type Peugeot, de overbrenging van die auto naar Den Haag/Zoetermeer ter preparatie van de kokerbalken van die auto voor het geschikt maken daarvan voor het vervoer van drugs, en vervolgens de overtocht van de desbetreffende auto naar Engeland. Er is sprake van een duidelijke taakverdeling tussen de verdachten en te onderscheiden rollen in de uitvoering van deze transporten. Verdachte onderhoudt onder meer de contacten met de verschillende uitvoerders en de afnemer(s) in Engeland. Bij het onderschepte transport van 2 augustus 2009 is ook daadwerkelijk heroïne in de kokerbalken aangetroffen. [medeverdachte] prepareert de huurauto's en stopt de drugs er in. Op het verpakkingsmateriaal van de heroïne die is aangetroffen in de Peugeot met kenteken [kenteken 2] tijdens het transport op 2 augustus 2009 is een vingerafdruk van [medeverdachte] aangetroffen.
[betrokkene 1] heeft - met betrekking tot het transport in december 2008 - bij de rechter-commissaris verklaard dat hem zowel door de man in het vliegtuig als door [betrokkene 7] is gezegd dat er drugs in de Peugeot hadden gezeten die door hem naar Engeland is gebracht. Daarnaast blijkt uit afgeluisterde telefoongesprekken die verdachte met [betrokkene 8] en [betrokkene 6] heeft gevoerd, dat daarin werd gesproken over op handen zijnde en reeds uitgevoerde leveranties van drugs.
Ten aanzien van de overige onder 2 tenlastegelegde transporten overweegt het hof het volgende. De beslissing dat een feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het arrest opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van aan andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs (in de vorm van zogenoemd schakelbewijs) onder omstandigheden is toegelaten. Voor de bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende modus operandi kunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen zij zich hebben toegedragen, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd (vgl. HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496, NJ 2007/345, rov. 6.3.2 en HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:31 18, NJ 2018/84 m.nt. Reijntjes). De opvatting dat bij de bewijsvoering slechts van zogenoemd schakelbewijs gebruik gemaakt kan worden indien de aan dat bewijs ontleende modus operandi steunt op de aan meer dan één ander bewezenverklaard feit ten grondslag gelegde bewijsmiddelen, vindt geen steun in het recht (vgl. HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2024, NJ 2017/38, rov. 2.3.). Het hof stelt vast dat de modus operandi bij de overige transporten onder 2 tenlastegelegd gelijksoortig is aan de transporten van 2 augustus 2009, 7 mei 2009 en december 2008. Telkens is daarbij door [betrokkene 3] een Peugeot gehuurd, welke door haar nadien naar Engeland is gebracht. Bij die Peugeots is naderhand telkens een zelfde soort schade aan de kokerbalk(en) vastgesteld. De betrokkenheid van verdachte bij die transporten blijkt naar het oordeel van het hof uit de hiervoor weergegeven telefonische contacten, sms-verkeer en locatiegegevens, alsmede uit afgeluisterde telefoongesprekken tussen hem - [verdachte] - en de Engelse afnemers. De betrokkenheid van [medeverdachte] bij die transporten blijkt uit het feit dat de gehuurde auto's telkens in de buurt van zijn garagebox zijn geweest en/of uit het telefooncontact tussen hem en verdachte tijdens de momenten dat de huurauto's in Den Haag en/of Zoetermeer zijn, alvorens ze naar Engeland rijden. Verdachte heeft over de genoemde feitelijkheden die ten grondslag liggen aan de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten geen verklaring willen afleggen en heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Gelet de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen zij zich hebben toegedragen, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd stelt het hof dat ter zake van de in de onder feit 2 genoemde transporten sprake is van een overeenkomende modus operandi. Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte als medepleger ook betrokken is geweest bij de transporten van 7 juni 2009, 8 april 2009 en 9 februari 2009. Hoewel deze transporten niet zijn onderschept en er dus ook geen direct bewijs is dat er tijdens deze transporten ook heroïne, dan wel andere drugs genoemd in lijst I van de Opiumwet is vervoerd, acht het hof dat wel bewezen. Het hof betrekt daarbij in zijn afweging de in het transport van augustus 2009 wel aangetroffen heroïne, de verklaringen over drugs tijdens het transport in december 2008, de eerdergenoemde telefoongesprekken over drugs en de gemaakte kosten en moeite om telkens een auto te prepareren of een geprepareerde auto te bemachtigen en een overtocht naar Engeland te maken. Deze omstandigheden maken dat - in onderlinge samenhang en verband bezien - het volstrekt onaannemelijk is dat deze transporten een ander doel hadden dan harddrugs naar Engeland te vervoeren.
Het hof gaat daarbij voorbij aan de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , zoals afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris d.d. 30 en 22 mei 2018. Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen ofwel als gevolg van het tijdsverloop, dan wel als gevolg van beïnvloeding niet overeenkomstig de waarheid zijn. Ook sluit het hof niet uit dat er afstemming van de verklaringen heeft plaatsgevonden. Zo verklaart [betrokkene 2] op 20 oktober 2010 tegenover de rechter-commissaris over de reizen van [betrokkene 3] naar Engeland: 'Ik weet van [betrokkene 3] (het hof begrijpt [betrokkene 3] ) dat zij al een tijd bezig was werk in Engeland te vinden. Zij wilde daar graag naar toe om daar te wonen en te werken. (...) Ik heb in een later stadium, na onze aanhouding, van haarzelf gehoord dat zij daar een vrind/lover had. Ik kan geen naam noemen. (...) Toen [betrokkene 3] uit Engeland terugkwam, heb ik haar nog gezien. We hebben het dan over de reis van 2 augustus 2009. Zij heeft mij toen verteld dat zij heeft gesolliciteerd.
'
Op 22 mei 2018 verklaart getuige [betrokkene 3] tegenover de raadsheer-commissaris het volgende: 'Ik had toen wel mijn eigen zaak waarvoor ik naar Engeland ging en [betrokkene 2] wist dat ik naar Engeland ging. Ik had een sieradenbedrijfje en wilde daar naar beurzen gaan.
'
Op vragen van de advocaat-generaal verklaart getuige [betrokkene 3] : 'Ik ging naar Engeland om beurzen te bezoeken in verband met mijn sieraden handel. Ik heb daar uiteindelijk geen beurzen bezocht. U houdt mij voor dat ik op 10 februari 2010 niet gesproken heb over beurzen in mijn eigen strafzaak bij de rechtbank, maar toen heb gezegd dat ik in Engeland wilde gaan werken en wonen. Dat klopt niet, daar is ook over beurzen gesproken.
'
Op 30 mei 2018 wordt de getuige [betrokkene 2] door de raadsheer-commissaris gehoord in een psychiatrisch ziekenhuis in Duitsland. Hij verklaart: 'Ik heb geen contacten meer met [betrokkene 3] . Ik heb geen contacten meer met [verdachte] . Ik heb [verdachte] en [betrokkene 3] voor het laatst gesproken voor mijn veroordeling hier. Ik heb me niet voorbereid op dit verhoor. Ik wist niet dat dit verhoor zou plaatsvinden.
'
Op de vraag van de raadsvrouw verklaart de getuige [betrokkene 2] : 'Het klopt dat ze (het hof begrijpt [betrokkene 3] ) naar Engeland ging om beurzen te bezoeken in verband met haar werk. (...) U vraagt mij of ze ook een sieradenhandel had. Ja, dat klopt. (...) [betrokkene 3] ging naar Engeland om daar een nieuw leven te beginnen en met sieradenhandel iets doen en te kijken wat er mogelijk was.
'
In het gehele dossier is tot aan 22 mei 2018 met geen woord gerept over beurzen die [betrokkene 3] zou bezoeken in het kader van een sieradenbedrijfje. Het hof acht het opmerkelijk dat getuige [betrokkene 2] opeens, acht dagen na de verklaring van [betrokkene 3] bij de raadsheer-commissaris, in een psychiatrisch ziekenhuis in Duitsland precies hetzelfde verklaart. Dit terwijl er uit het dossier geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat [betrokkene 3] werkelijk in het kader van een sieradenbedrijfje beurzen zou gaan bezoeken. Er zijn geen gegevens van het bedrijf genoemd of zelfs maar een naam. Noch uit de telefoongegevens, noch uit de track & trace gegevens van de auto's, noch uit de verklaring van [betrokkene 3] bij de politie, blijkt ook maar iets dat te maken zou kunnen hebben met sieraden of beurzen. Dit terwijl in de auto wel 14 kilo heroïne is aangetroffen.”