ECLI:NL:HR:2021:650
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitspraak over teruggaaf dividendbelasting niet-ingezeten beleggingsfonds
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake beschikkingen over dividendbelasting. De Hoge Raad stelde het cassatieberoep aan de kant in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU, die in het arrest Deka (C-156/17) zijn beantwoord.
Het arrest Deka verduidelijkte dat artikel 63 VWEU Pro niet verbiedt dat lidstaten teruggaaf van dividendbelasting aan niet-ingezeten beleggingsfondsen weigeren indien deze niet voldoen aan voorwaarden, mits deze fondsen niet de facto worden benadeeld en vergelijkbare eisen aan ingezeten fondsen worden gesteld.
Na ontvangst van het arrest Deka en aanvullende conclusies van de Advocaat-Generaal, heeft de Hoge Raad de middelen van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hof-arrest leiden. De Hoge Raad motiveert dit niet nader vanwege artikel 81 RO Pro.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt partijen niet in de proceskosten. Hiermee blijft het hof-arrest in stand dat de weigering van teruggaaf dividendbelasting aan belanghebbende bevestigt.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het hof-arrest over de weigering van teruggaaf dividendbelasting.