Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
5.Beslissing
19 januari 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van meerdere Opiumwetdelicten, gepleegd in 2011, waaronder productie en handel in synthetische drugs in georganiseerd verband. Het hof legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarbij een taakstraf werd uitgesloten op grond van het taakstrafverbod in artikel 22b Sr. Dit verbod was echter ingevoerd na de feiten en had volgens de overgangsbepaling geen toepassing op deze zaak.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte het taakstrafverbod toepaste, maar dat dit niet tot cassatie leidt omdat het hof tevens had overwogen dat een taakstraf niet passend was gezien de ernst en duur van de feiten. Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, zowel in hoger beroep als in cassatie, wat rechtvaardigt tot strafvermindering.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf van 30 naar 25 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd het belang van een tijdige berechting benadrukt, ook in complexe strafzaken met zware feiten.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van 30 naar 25 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.