Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof in zijn strafmotivering ten onrechte dan wel onvoldoende begrijpelijk heeft gerefereerd aan art. 22b Sr, nu de uitspraak waarin aan de verdachte een taakstraf is opgelegd voor een soortgelijk feit pas na het plegen van het onderhavige feit onherroepelijk is geworden.
Oplegging van strafDe politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
De raadsvrouw van de verdachte heeft, in het geval van een bewezenverklaring, verzocht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe heeft zij gewezen op het tijdsverloop in deze zaak en op de omstandigheid dat de verdachte recent niet meer is veroordeeld.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee personen. De verdachte is, samen met andere leden van een motorclub, verhaal gaan halen bij de beveiligers van een jeugdfeest, nadat de zoon van één van hen de toegang daartoe was geweigerd. Daarbij is een vechtpartij ontstaan tussen de verdachten en de beveiligers en heeft de verdachte zelf geweld toegepast tegen één van de beveiligers. De slachtoffers hebben aan het voorval letsel, in de vorm van een dikke lip, en pijn overgehouden.
Feiten als het onderhavige maken een inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en dragen bij aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, in het bijzonder bij hen die daarvan slachtoffer of getuige zijn. Het hof rekent het de verdachte aan dat het geweld gepaard ging met intimidatie van de beveiligers door leden van zijn motorclub. Slachtoffers van dergelijke feiten ervaren daarvan vaak, naast fysiek ongemak, langdurig de nadelige psychische gevolgen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 mei 2020 is hij eerder voor soortgelijke (gewelds)misdrijven onherroepelijk veroordeeld. Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden zich wederom schuldig te maken aan een geweldsdelict, hetgeen het hof in het nadeel van de verdachte meeweegt.
Het hof heeft voor wat betreft de duur bij de strafoplegging acht geslagen op het oriëntatiepunt van het LOVS, dat voor openlijke geweldpleging, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, een taakstraf voor de duur van 150 uren noemt. In dit geval zou evenwel met toepassing van taakstraf, mede gelet op de documentatie van de verdachte en het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, geen recht worden gedaan aan de ernst van het feit en de recidive. Het hof is daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf. Hoewel een hogere gevangenisstraf dan gevorderd door de advocaat-generaal in beginsel passend zou zijn zal het hof, gelet op het tijdsverloop, met die straf volstaan.
In hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting in het kader van de strafmaat en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden.”