ECLI:NL:HR:2021:663
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitspraak over naheffingsaanslagen omzetbelasting en teruggaafverzoeken
In deze zaak heeft de Staatssecretaris van Financiën cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2019, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting en beschikkingen op verzoeken om teruggaaf omzetbelasting behandelde.
De Hoge Raad heeft de ingediende middelen van de Staatssecretaris beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de zaak niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, vastgesteld op €1.068 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens werd een griffierecht van €519 geheven van de Staatssecretaris.
Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van lagere instanties omtrent de naheffingsaanslagen en teruggaafverzoeken omzetbelasting over de betreffende tijdvakken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigd.