ECLI:NL:HR:2021:669

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 april 2021
Publicatiedatum
29 april 2021
Zaaknummer
20/01834
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieberoep inzake matiging contractuele boete

In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin een geschil over de matiging van een contractuele boete werd behandeld. Het geschil bouwt voort op een eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 13 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1174) die als precedent diende.

De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Daarbij is overwogen dat het niet noodzakelijk was om de motivering van het oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en eiser veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, die nihil zijn vastgesteld aan de zijde van verweerders. Hiermee blijft het hofarrest in stand en is de matiging van de contractuele boete bevestigd.

De uitspraak is gedaan door de raadsheren van de Hoge Raad op 30 april 2021, waarbij het beroep van eiser werd afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest over de matiging van de contractuele boete wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01834
Datum30 april 2021
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: K. Aantjes,
tegen
1. [verweerster 1],
2. [verweerder 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding verwijst de Hoge Raad naar:
zijn arrest tussen partijen in de zaak 17/02976, ECLI:NL:HR:2018:1174 van 13 juli 2018;
het arrest in de zaak 200.252.766/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 april 2020.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerders] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
30 april 2021.