ECLI:NL:HR:2021:740

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 mei 2021
Publicatiedatum
17 mei 2021
Zaaknummer
19/02353
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 249.1 SrArt. 240b.1 SrArt. 285.1 Sr
Verwijzingen
11 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in ontuchtzaak

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in een zaak betreffende ontucht met een minderjarige, vervaardiging en bezit van kinderporno, bedreiging, valse aangifte en lasterlijke aanklacht.

De verdediging voerde onder meer aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van onafhankelijk politieonderzoek en stelde een alternatief scenario voor. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren.

Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad zelf meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 31 maanden naar 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en verwierp het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02353
Datum18 mei 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 mei 2019, nummer 20-002092-13, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J. van Essen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van het onvoorwaardelijke gedeelte daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
2.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 31 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 mei 2021.