“Feit 2 Bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.
Het verweer
Door en namens verdachte is aangevoerd dat hij niet degene is geweest die de dreigbrieven en bedreigende sms-berichten heeft verstuurd. Het DNA-materiaal en de vingerafdrukken van verdachte zijn op de postzegel op de enveloppe respectievelijk op de dreigbrief, gericht aan [betrokkene 1], terecht gekomen omdat verdachte de betreffende enveloppe en brief in zijn handen heeft gehad. Bovendien is gebleken dat de onder de postzegel van de dreigbrief aan de verdachte van 3 oktober 2011 aangetroffen haarsporen niet van de verdachte afkomstig zijn en dat het DNA-onderzoek aan de kogelbrief aan [betrokkene 1] heeft uitgewezen dat het gaat om een mengprofiel waarbij ook DNA-materiaal van minimaal één andere persoon is aangetroffen. Dit zijn duidelijke aanwijzingen dat verdachte niet degene is geweest die de dreigbrieven heeft verstuurd.
Voorts zijn uit het onderzoek onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen dat verdachte degene is geweest die de sms-berichten heeft verstuurd. De zeer korte tijdspanne tussen het bezoeken van de internetsite en de verzending van de dreig-sms van 8 september 2011 wijst er zelfs op dat verdachte niet degene geweest kan zijn die de berichten heeft verzonden.
Het oordeel van het hof
Dreigbrieven
Uit het onderzoek is het volgende gebleken.
Op 9 september 2011 omstreeks 13.00 uur ontving [betrokkene 1] bij zijn bedrijf op de [b-straat 1] te Vught een dreigbrief met een kogel. Hij heeft verklaard dat hij de brief direct heeft teruggedaan in de enveloppe en er onmiddellijk mee naar de politie in Vught is gegaan. Omdat daar kennelijk tegen hem werd gezegd dat de politie er weinig aan kon doen is hij met de brief naar het politiebureau te ’s-Hertogenbosch gegaan. Daar heeft hij om 15.46 uur aangifte gedaan van bedreiging en de brief met enveloppe en de kogel overhandigd voor verder onderzoek (proces-verbaal van aangifte, dossierpagina’s 106-107). Achter de aangifte bevinden zich afdrukken van beeldopnamen van de kogelbrief en van de enveloppe. Op de afbeelding van de enveloppe is te zien dat deze zich in een plastic hoes bevindt (dossierpagina’s 109-110). [betrokkene 1] heeft desgevraagd verklaard dat hij de enige is die de kogelbrief heeft aangeraakt (proces-verbaal verhoor aangever, dossierpagina’s 243-244).
Verdachte heeft verklaard dat ook hij op 9 september 2011 een kogelbrief heeft ontvangen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij die dag om 13.21 uur werd gebeld door [betrokkene 1] die hem meedeelde dat hij, [betrokkene 1], een kogelbrief had ontvangen en dat verdachte die waarschijnlijk ook wel zou hebben gehad. Verdachte is toen naar huis gegaan (verdachte heeft overigens in hoger beroep verklaard dat hij eerst naar [betrokkene 1] is gegaan) en heeft in zijn brievenbus een soortgelijke enveloppe aangetroffen. Hij heeft toen de politie gebeld (proces-verbaal aangifte, dossierpagina 94).
De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] ontvingen de melding dat er een kogelbrief was ontvangen op het adres van verdachte, [a-straat 1] te [plaats]. Om 14.15 uur waren zij ter plaatse en hebben met de verdachte gesproken en de kogelbrief, gericht aan verdachte, veiliggesteld (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 88).
Op 12 september 2011 heeft [betrokkene 1] een bericht naar de gsm van verdachte gestuurd met de vraag wat verdachte moet hebben. Verdachte antwoordde: ‘Alles foto brief en sms’jes met nummers en tijdstippen’. Korte tijd later stuurde [betrokkene 1] het volgende bericht naar verdachte: ‘Foto’s zijn gemaild de sms’jes lukt ff niet’ (Device report, pg. 36, gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2011).
Op 3 oktober 2011 ontving [betrokkene 1] een tweede dreigbrief. Door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] wordt gerelateerd dat zij die dag omstreeks 16.30 uur langs het bedrijfspand van [betrokkene 1] reden en dat deze hen vertelde dat hij zojuist weer een dreigbrief had ontvangen. Zij zagen dat [betrokkene 1] de brievenbus openmaakte, de enveloppe er uit pakte en de enveloppe openmaakte en vervolgens met zijn gsm een foto maakte van de brief. [betrokkene 1] weigerde echter de brief af te geven aan de verbalisanten (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 230-231). Later die dag, omstreeks 21.00 uur, heeft [betrokkene 1] alsnog de brief aan het politiebureau te ’s-Hertogenbosch afgegeven. In zijn bijzijn is de brief in plastic verpakt. Hij heeft verklaard dat alleen hijzelf de brief in handen heeft gehad (proces-verbaal verhoor aangever, dossierpagina’s 243-244).
Op dezelfde dag omstreeks 17.15 uur komt bij verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] de melding binnen dat verdachte een dreigbrief had ontvangen. Zij zijn naar het woonadres van verdachte gereden en hebben daar met verdachte gesproken. Hij wees de verbalisanten op een enveloppe die in de woning naast de voordeur lag. Verdachte verklaarde dat hij de enveloppe deels heeft vastgepakt met de andere post maar vervolgens heeft laten liggen. De enveloppe met daarin de dreigbrief werd vervolgens inbeslaggenomen (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 221).
De dreigbrieven verwijzen naar de melding bij het AMK die door verdachte en [betrokkene 1] is gedaan inzake vermeende mishandeling van [slachtoffer] door zijn stiefvader.
De brieven en enveloppen zijn onderzocht op DNA en dactyloscopische sporen. Daaruit is gebleken dat zowel op de kogelbrief van 9 september 2011 die gericht was aan [betrokkene 1] als op de dreigbrief van 3 oktober 2011 die gericht was aan de verdachte, DNA van de verdachte is aangetroffen op de kleefzijde van de postzegel en/of het onderliggende papier van de enveloppe (rapporten NFI, opgenomen in het dossier forensisch onderzoek, pagina 124, 127, 131, 133, 136 en het rapport van het NFI van 9 juli 2018). Op de achterzijde van de dreigbrief van 3 oktober 2011, gericht aan [betrokkene 1], zijn dactyloscopische sporen van verdachte aangetroffen (dossierpagina 227 e.v. van Einddossier II).
Op 16 november 2011 is verdachte aangehouden en is een onderzoek in zijn woning ingesteld. Bij onderzoek van de onder verdachte in beslaggenomen notebook (Dell) werden (in onderzoeksmap genummerd 11-0165-2) foto’s aangetroffen van (onder meer) de kogelbrief met enveloppe, gericht aan [betrokkene 1]. Volgens de ‘exif’ zouden de afbeeldingen zijn gemaakt op 9 september 2011 (proces-verbaal van bevindingen aangetroffen foto en videobestanden, Bijlage III, dossierpagina’s 851-852 van Einddossier I; aanvullend proces-verbaal nr. 11-0165-pv-03, ongedateerd).
Verdachte stelt dat hij de dreigbrieven gericht aan [betrokkene 1] in handen heeft gehad. Volgens de verdachte kan dit verklaren dat zijn DNA op de kleefzijde van de postzegel en/of het onderliggende papier en zijn vingerafdrukken op de achterzijde van de brief zijn aangetroffen. Het bewijs dat de verdachte de enveloppe van de kogelbrief van 9 september 2011 in handen heeft gehad valt volgens hem af te leiden uit de foto’s die zich in het dossier bevinden. Volgens de verdachte is hij namelijk op de bewuste dag naar [betrokkene 1] gegaan en heeft daar toen de kogelbrief in handen gehad en gefotografeerd met zijn BlackBerry Torch. Deze foto’s van de kogelbrief met enveloppe bevinden zich in het dossier.
In hoger beroep heeft verdachte aangevoerd dat hij kan aantonen dat de foto’s op 9 september 2011 zijn gemaakt met zijn BlackBerry. Hij heeft de betreffende foto’s vanaf zijn laptop op een usb-stick gezet en heeft deze nog tot zijn beschikking. Verdachte heeft vervolgens de metadata van de foto’s verstrekt. Daaruit zou voortvloeien dat de foto’s zijn gemaakt met de BlackBerry Torch op 9 september 2011 (e-mailbericht van de raadsman van verdachte aan de strafgriffie van het hof d.d. 26 januari 2018, met bijlagen). De in de bijlagen opgenomen afdrukken van de kogelbrief en enveloppe aan [betrokkene 1] zijn dezelfde foto’s als opgenomen bij de aangifte van [betrokkene 1]. Voorts heeft verdachte door forensisch deskundige Ten Hove van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO) een onderzoek laten uitvoeren op de door de verdachte aan de deskundige ter beschikking gestelde foto’s. Uit de door Ten Hove uit de foto’s geëxtraheerde Exif-data volgt dat de foto’s zouden zijn gemaakt met een BlackBerry Torch op 9 september 2011 (e-mail bericht van J.R. ten Hove aan verdachte d.d. 3 april 2018, met bijlagen).
Vervolgens heeft het hof aan de advocaat-generaal opdracht gegeven de metadata van de fotobestanden uit onderzoeksmap genummerd 11-0165-2 te vergelijken met de door de verdachte ingestuurde metadata. Uit dit onderzoek is gebleken dat de foto’s van de kogelbrief en enveloppe van 9 september 2011, gericht aan [betrokkene 1], zijn gemaakt met een Apple IPhone 4. De GPS-coördinaten wijzen uit dat de foto’s zijn gemaakt in ’s-Hertogenbosch, volgens het bijbehorend kaartje bij/in de nabijheid van het politiebureau. Het hof merkt in dit verband op dat [betrokkene 1] met de brief naar het politiebureau in ’s-Hertogenbosch is gegaan. Gebleken is voorts dat [betrokkene 1] beschikte over een Apple IPhone 4 (dossierpagina’s 236-237).
De betreffende foto’s zijn derhalve, anders dan de verdachte stelt, niet door de verdachte in [plaats] gemaakt maar mogelijk door [betrokkene 1] bij de politie in ’s-Hertogenbosch. Dit kan ook verklaren dat verdachte nadien aan [betrokkene 1] heeft verzocht om toezending van ‘alles foto brief’ (enz) en dat verdachte via [betrokkene 1] in het bezit is gekomen van de foto’s van de kogelbrief met enveloppe.
Het hof gaat er dan ook van uit dat verdachte, anders dan hij stelt, niet de betreffende foto’s heeft gemaakt en dat hij kennelijk met onjuist gebleken gegevens heeft getracht het hof te overtuigen van zijn verklaring hoe zijn DNA aan de kleefzijde van de postzegel en/of het onderliggende papier op de dreigbrief aan [betrokkene 1] terecht is gekomen.
Uit het onderzoek is gebleken dat DNA van verdachte is aangetroffen aan de kleefzijde van de postzegels en/of het onderliggende papier van twee dreigbrieven: de kogelbrief van 9 september 2011 gericht aan [betrokkene 1] en de dreigbrief van 3 oktober 2011 gericht aan verdachte zelf. Voorts zijn dactyloscopische sporen van de verdachte aangetroffen op de dreigbrief van 3 oktober 2011 gericht aan [betrokkene 1]. Daar komt bij dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de enige is geweest die de aan hem gerichte dreigbrieven van 9 september en 3 oktober 2011 in handen heeft gehad. Het hof heeft geen reden om aan deze verklaring van [betrokkene 1] te twijfelen. [betrokkene 1] heeft zijn verklaring bij de politie afgelegd kort nadat hij de betreffende brieven had ontvangen. Er is hem toen uitdrukkelijk gevraagd wie de brieven nog meer in handen heeft gehad of heeft aangeraakt en hem duidelijk uitgelegd dat het in het kader van het onderzoek belangrijk is te weten wie de brieven mogelijk vast heeft gehad, Hij heeft zonder voorbehoud geantwoord dat niemand anders dan hijzelf de brieven in handen heeft gehad.
Bij de rechter-commissaris is [betrokkene 1], nadat daarop werd doorgevraagd, bij zijn verklaring gebleven dat verdachte de kogelbrief niet heeft aangeraakt, noch de enveloppe.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof bewezen dat verdachte degene is geweest die de dreigbrieven heeft verstuurd. Gelet op de verklaring van [betrokkene 1] kan het aantreffen van DNA-materiaal van verdachte aan de kleefzijde van de postzegel en/of het onderliggende papier van de kogelbrief aan [betrokkene 1] en de dactyloscopische sporen van verdachte op de tweede dreigbrief aan [betrokkene 1] immers slechts worden verklaard doordat verdachte de betreffende dreigbrieven eerder in handen heeft gehad. Dat haardelen van een ander dan de verdachte onder de postzegel van de aan de verdachte gerichte dreigbrief van 3 oktober 2011 zijn aangetroffen, maakt het oordeel van het hof niet anders. Ook de omstandigheid dat het bij de kogelbrief van 9 september 2011 gericht aan [betrokkene 1] ging om een DNA-mengprofiel leidt niet tot een ander oordeel.
Ook het briefrapport van deskundige Ten Hove brengt het hof niet tot een ander oordeel. De deskundige rapporteert met betrekking tot de dreigbrief aan verdachte en het onder de postzegel aangetroffen DNA van verdachte onder meer dat verdachte hem als contextinformatie heeft meegedeeld dat hij, verdachte, de enveloppe heeft vastgepakt en de buitenkant zorgvuldig heeft afgetast. Deze informatie acht de deskundige zwaarwegend voor zijn conclusie dat voorzichtigheid is geboden bij de interpretatie van de DNA-match. De door verdachte verstrekte contextinformatie komt echter niet overeen met de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring dat hij de enveloppe deels heeft vastgepakt met de andere post maar vervolgens heeft laten liggen.
Sms-berichten
Gebleken is dat naar [betrokkene 1] ook sms-berichten met een bedreigende inhoud zijn verzonden. Ook in deze berichten werd verwezen naar de door [betrokkene 1] en [verdachte] gedane melding van mishandeling van [slachtoffer].
Mede gelet op de gelijkluidende tekst en strekking van de sms-berichten en de dreigbrieven acht het hof, met de rechtbank, bewezen dat ook de sms-berichten zijn verzonden door verdachte.
Dit vindt steun in de resultaten van het onderzoek naar de afzender van de sms-berichten. Hieruit blijkt namelijk het volgende.
De betreffende sms-berichten zijn telkens verstuurd vanaf een ander gsm-nummer, in het onderzoek de ‘dreiggsm’ genoemd.
Op 24 augustus 2011 werden vanaf gsm-nummer [telefoonnummer 1] korte tijd na elkaar aan [betrokkene 1] en aan verdachte dreigberichten verstuurd. De mastlocaties van de dreiggsm en van de gsm van verdachte bevonden zich toen dicht bij elkaar (pv bevindingen m.b.t historische printgegevens, dossierpagina’s 136-137). Verdachte was op dat moment in een auto onderweg.
Op 26 augustus 2011 werden vanaf gsm-nummer [telefoonnummer 2] wederom dreigberichten verstuurd naar [betrokkene 1] en naar verdachte. Uit onderzoek naar het nummer van de dreiggsm blijkt niet van een verzending van het sms-bericht naar de gsm van verdachte. Uit het proces-verbaal van politie blijkt dat ook via internet sms-berichten kunnen worden verzonden waarbij men zelf een gsm-nummer kan invoeren (pv bevindingen m.b.t historische printgegevens, dossierpagina 138). Uit onderzoek naar de gsm van verdachte blijkt dat enkele minuten voor de ontvangst van de dreig-sms door de gsm van verdachte contact is gemaakt met het internet (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 150). Ook bij het dreigsms-bericht dat op 31 augustus 2011 naar verdachte is verzonden blijkt dat kort voor de ontvangst van het bericht op de gsm van verdachte, door die gsm contact is gemaakt met het internet (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 140-141, 150). Gebleken is voorts dat de tijd tussen het contact met het internet en de ontvangst van de sms-berichten voldoende is om het contact te maken, de tekst te schrijven en - eventueel - de sms af te rekenen (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 151) waarbij het hof opmerkt dat de berichten ook gratis kunnen worden verzonden en het ontbreken van betaalgegevens derhalve niet betekent dat verdachte de sms-berichten niet kan hebben verstuurd.
Hetgeen door de verdediging is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hecht het hof dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij niet degene is geweest die de dreigbrieven en dreigsms’jes heeft verstuurd.”