Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Bewijsuitsluiting
(...)
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
25 mei 2021.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een onrechtmatige doorzoeking van de auto van de verdachte, uitgevoerd door onbevoegde opsporingsambtenaren, moet leiden tot bewijsuitsluiting of dat strafvermindering een passend rechtsgevolg is. De verdachte werd verdacht van het opzettelijk vervoeren van cocaïne en heroïne.
Het hof had geoordeeld dat de doorzoeking een vormverzuim opleverde, maar dat dit slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte betrof. Het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, werd niet als een rechtens te respecteren belang aangemerkt. Daarom wees het hof bewijsuitsluiting af en legde strafvermindering op als passend rechtsgevolg.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat strafvermindering een facultatief en proportioneel middel is bij vormverzuimen. Tevens benadrukte de Hoge Raad dat de eis dat de rechter bij strafvermindering op grond van artikel 359a Sv moet aangeven in hoeverre de straf wordt verminderd, onverkort blijft gelden. Het beroep van de verdachte werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; strafvermindering bij vormverzuim blijft passend en bewijsuitsluiting is niet aan de orde.