Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2021:769

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 mei 2021
Publicatiedatum
23 mei 2021
Zaaknummer
20/01406
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieRijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in Caribische strafzaak

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in een strafzaak tegen de verdachte.

De verdachte stelde onder meer dat een van de rechters niet fysiek aanwezig was tijdens de terechtzitting, maar via audioverbinding deelnam. De Hoge Raad oordeelde dat noch de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie noch enige andere in Curaçao geldende wettelijke bepaling deze wijze van deelname toestaat. Desondanks leidde dit niet tot cassatie omdat op die zitting alleen het onderzoek ter terechtzitting werd gesloten, buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw, en er geen aantoonbaar belang was bij vernietiging.

Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds de indiening. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien jaar naar vijftien jaar en negen maanden.

De overige klachten van de verdachte werden door de Hoge Raad verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, waarbij de griffier aanwezig was.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van zestien jaar naar vijftien jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/01406 C
Datum25 mei 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 24 oktober 2019, nummer H-176/2018, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat op de terechtzitting van 4 oktober 2019 de rechter mr. H. de Doelder niet fysiek op de terechtzitting aanwezig was, maar via een audioverbinding heeft deelgenomen aan de terechtzitting terwijl deze rechter het vonnis tegen de verdachte mede heeft gewezen.
2.2
Het procesverloop in hoger beroep is samengevat in de conclusie van de advocaat-generaal onder 32. In het bijzonder is van belang dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen de verdachte heeft plaatsgevonden op 20 juni 2019, waarna op 26 september 2019 het onderzoek zonder enige inhoudelijke behandeling is onderbroken tot 4 oktober 2019. Blijkens dat proces-verbaal is het onderzoek ter terechtzitting vervolgens op 4 oktober 2019 buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw hervat en onmiddellijk daarna gesloten. Dat proces-verbaal houdt met betrekking tot de terechtzitting van 4 oktober 2019 het volgende in:
“Na voortzetting van het onderzoek op 4 oktober 2019 zijn tegenwoordig:
mr. M.C.B. Hubben voorzitter,
mrs D. Radder en H. de Doelder (laatstgenoemde via een audioverbinding met Nederland), rechters,
mr. M.L.A. Angela, procureur-generaal,
en mr. T.M.A.D. de Lanoy, griffier.
De voorzitter deelt mede dat de griffier op 3 oktober 2019 telefonisch contact heeft gehad met de raadsvrouw mr. M.C. Vaders en dat de raadsvrouw toen heeft medegedeeld dat de verdachte [verdachte] opnieuw afstand doet van zijn recht om bij de sluiting van het onderzoek op 4 oktober 2019 aanwezig te zijn.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat de uitspraak van het Hof zal plaatsvinden ter terechtzitting van 24 oktober 2019 te 13:45 uur.”
2.3
Het voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijnde wettelijk kader is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 30, 31 en 38.
2.4.1
De Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie noch enige andere in Curaçao geldende wettelijke bepaling voorziet in de mogelijkheid dat de rechter die (mede) de zaak behandelt niet fysiek aanwezig is op de terechtzitting maar door middel van een audioverbinding deelneemt aan het onderzoek ter terechtzitting, zodat moet worden aangenomen dat de (Rijks)wetgever die mogelijkheid niet heeft willen bieden.
2.4.2
Gelet hierop is het cassatiemiddel in zoverre terecht voorgesteld. Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Nu blijkens het onder 2.2 vermelde procesverloop op 4 oktober 2019 alleen de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden (buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw), valt zonder nadere toelichting - die in de schriftuur niet is gegeven - niet in te zien welk rechtens te respecteren belang de verdachte heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling.
2.5
Naar aanleiding van het gestelde in de conclusie van de advocaat-generaal onder 45 en 46 merkt de Hoge Raad op dat in het onderhavige geval niet sprake was van een situatie, zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2037, waarin de fysieke afwezigheid van de rechter rechtstreeks samenhing met de uitbraak van de epidemie van COVID-19.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien jaren.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijftien jaren en negen maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 mei 2021.