Uitspraak
1.De uitspraak van het hof
2.Het cassatieberoep
3.Waar het in deze zaak om gaat
4.Juridisch kader
5.Beoordeling van het cassatiemiddel
6.Beslissing
15 december 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het toelaatbaar is dat een strafzaak inhoudelijk wordt behandeld tijdens een fysieke terechtzitting terwijl één van de rechters vanwege COVID-19-gerelateerde quarantaine deelneemt via een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel, zoals Skype for Business.
De Hoge Raad overwoog dat hoewel het Wetboek van Strafvordering en het Besluit videoconferentie uitgaan van fysieke aanwezigheid, de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid een verruiming biedt om in uitzonderlijke omstandigheden gebruik te maken van elektronische communicatiemiddelen. De deelname van één rechter op afstand is niet zonder meer onverenigbaar met deze regelgeving, mits de andere twee rechters fysiek aanwezig zijn en de reden voor afwezigheid direct samenhangt met de COVID-19-epidemie.
De rechter op afstand moet zich een goed beeld kunnen vormen van de zitting, zichtbaar en hoorbaar zijn voor aanwezigen, en mag niet belast zijn met de leiding over het onderzoek. De voorzitter beslist of de zaak op deze wijze kan worden behandeld, waarbij verdediging en openbaar ministerie worden gehoord. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de werkwijze in deze zaak toelaatbaar was.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van deelname van één rechter via een audiovisueel communicatiemiddel tijdens een fysieke terechtzitting.