Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Bespreking van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
1 juni 2021.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2020. De verdachte werd onder meer verweten het verbergen en verhullen van de herkomst van een geldbedrag van €94.210 in zijn vakantiewoning.
Tijdens een doorzoeking op 6 april 2018 werd dit bedrag aangetroffen op ongebruikelijke plaatsen zoals in brandblussers, een hoes voor katten en een broekzak. De bewezenverklaring van het hof dat verdachte de herkomst van dit geldbedrag had verborgen en verhuld, werd door de Hoge Raad echter als onvoldoende gemotiveerd beoordeeld.
De Hoge Raad verwees daarbij naar de wetgeschiedenis van artikel 420bis lid 1 sub a Sr en eerdere jurisprudentie (HR 2014:3687). Omdat uit de bewijsmiddelen niet meer kon worden afgeleid dan de aanwezigheid van het geld op ongebruikelijke plaatsen, was de motivering van het verbergen van de herkomst ontoereikend.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betrof en wees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor het onderdeel verbergen herkomst geld en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.