ECLI:NL:HR:2021:832

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2021
Publicatiedatum
4 juni 2021
Zaaknummer
19/02705
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak Gerechtshof inzake naheffingsaanslag omzetbelasting en boete

Belanghebbende, een vennootschap onder firma, was het niet eens met een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2011, inclusief een boetebeschikking en een beschikking inzake heffingsrente. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd het hoger beroep door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch behandeld, dat de aanslagen en boetes handhaafde.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij meerdere klachten werden aangevoerd tegen het arrest van het Hof. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het arrest konden leiden.

De Hoge Raad motiveerde zijn oordeel niet inhoudelijk, omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro op de rechterlijke organisatie. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard, waarmee het arrest van het Hof definitief werd bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/02705
Datum4 juni 2021
ARREST
in de zaak van
[X] V.O.F. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 april 2019, nr. 17/00614, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/7004) betreffende een aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door L.J. de Rijke, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2021.