ECLI:NL:HR:2021:846

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
7 juni 2021
Zaaknummer
19/01688
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:1:16 lid 2 SvArt. 36e SrArt. 511i SvArt. 437 lid 2 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
11 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in ontnemingszaak wegens ontbreken cassatiemiddelen

De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens hem werd een schriftuur ingediend die echter niet voldeed aan de vereisten van een cassatiemiddel, omdat deze geen stellige en duidelijke klacht bevatte over schending van rechtsregels of vormvoorschriften door de bestreden rechter.

De schriftuur was slechts gericht op vernietiging van de ontnemingsuitspraak indien de middelen in de hoofdzaak gegrond zouden worden bevonden, wat niet volstaat als cassatiemiddel. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat op grond van artikel 6:1:16 lid 2 Sv Pro een ontnemingsuitspraak pas tenuitvoer kan worden gelegd nadat de veroordeling op grond van artikel 36e Sr onherroepelijk is geworden.

Verder vervalt een ontnemingsuitspraak van rechtswege als de veroordeling waarop deze is gebaseerd niet in kracht van gewijsde is gegaan. De betrokkene had niet binnen de wettelijke termijn een schriftuur met geldige cassatiemiddelen ingediend, waardoor het cassatieberoep niet ontvankelijk kon worden verklaard.

De Hoge Raad verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en wees het arrest uit op 15 juni 2021.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van geldige cassatiemiddelen en niet-tijdige indiening.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01688 P
Datum15 juni 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 maart 2019, nummer 21-001491-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de betrokkene nietontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.
De schriftuur strekt immers slechts tot vernietiging van de bestreden uitspraak in de ontnemingszaak voor het geval dat de cassatiemiddelen in de hoofdzaak gegrond zouden worden bevonden. Daarbij verdient nog opmerking dat op grond van artikel 6:1:16 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas kan worden tenuitvoergelegd nadat de veroordeling als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onherroepelijk is geworden. Verder vervalt op grond van artikel 511i Sv een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e Sr van rechtswege doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte als bedoeld in artikel 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1016).
2.2
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h Sv. Dat brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 juni 2021.