Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2021:862

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2021
Publicatiedatum
10 juni 2021
Zaaknummer
19/03179
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over naheffingsaanslagen omzetbelasting fiscale eenheid

Belanghebbende, een fiscale eenheid, was in hoger beroep gegaan tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting, boetebeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen over de periode van 1 september 2011 tot en met 30 juni 2012. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch had de eerdere uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Omdat de beoordeling geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht oplevert, is geen nadere motivering gegeven. Ook is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Het arrest van de Hoge Raad bevestigt daarmee de rechtmatigheid van de naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen opgelegd aan belanghebbende over de genoemde periode.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/03179
Datum11 juni 2021
ARREST
in de zaak van
de fiscale eenheid [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 mei 2019, nrs. 17/00514 en 17/00515, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank ZeelandWest-Brabant (nrs. BRE 16/969 en BRE 16/970) betreffende aan belanghebbende over tijdvakken in de periode 1 september 2011 tot en met 30 juni 2012 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 31 december 2020 geconcludeerd tot verwerping van middel 3. [1]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021.