Belanghebbende kocht in 2005 samen met zijn partner een appartement waarvan ieder de helft van het appartementsrecht in zijn onderneming bracht. Na beëindiging van de samenlevingsovereenkomst in 2006 nam belanghebbende de helft van het appartementsrecht van zijn partner over en activeerde dit op de balans tegen aanschafkosten.
In 2010 staakte belanghebbende zijn onderneming en bracht hij het appartementsrecht over naar zijn privévermogen, waarbij hij de waarde in bewoonde staat hanteerde. De Belastingdienst stelde dat de inbrengwaarde bij overname van de helft van het appartementsrecht op de waarde in bewoonde staat moest worden gesteld.
Het Gerechtshof oordeelde dat bij de waardering van de overgenomen helft van het appartementsrecht de waarde in bewoonde staat moet worden aangehouden, omdat het appartement duurzaam door beiden werd bewoond en de inbreng plaatsvond in een bestaande onderneming.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat de helft van het appartementsrecht was aangekocht ten behoeve van de onderneming. De Hoge Raad benadrukte dat de overname van de helft van het appartementsrecht plaatsvond in de privésfeer en dat de duurzame zelfbewoning een bepalende factor is voor de waardering.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.