Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
15 juni 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het hof terecht vervangende hechtenis had toegepast bij een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verdachte, die als masseur meermalen ontucht had gepleegd met een mannelijke patiënt. De verdachte had cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het bewijs en de betrouwbaarheid van verklaringen onvoldoende waren om het hofarrest te vernietigen. Wel werd geoordeeld dat de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel onjuist was. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de vervangende hechtenis betrof.
Daarnaast bepaalde de Hoge Raad dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef voor de overige onderdelen.
Deze uitspraak bevestigt de mogelijkheid om bij niet-nakoming van een schadevergoedingsmaatregel gijzeling toe te passen in plaats van vervangende hechtenis, en verduidelijkt de grenzen van de toepassing van strafrechtelijke dwangmiddelen bij schadevergoedingsmaatregelen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover vervangende hechtenis is toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel; gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.