Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
6 juli 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van diefstal door braak. In cassatie klaagde de verdediging dat het arrest van het hof niet voldeed aan de wettelijke vereisten omdat het de bewijsmiddelen voor twee feiten niet bevatte. De Hoge Raad stelde vast dat het arrest niet de bewijsmiddelen bevatte die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, zoals voorgeschreven in artikel 359 lid 3 en Pro lid 8 van het Wetboek van Strafvordering.
De verdediging had op grond van het procesreglement van de Hoge Raad verzocht om toezending van een aanvulling met de bewijsmiddelen, maar het hof had bevestigd dat een dergelijke aanvulling niet was opgemaakt. Hierdoor kon het arrest niet in stand blijven voor de feiten waarvoor de bewijsmiddelen ontbraken. Dit had ook gevolgen voor de beslissing over de vordering van de benadeelde partij.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor de beslissingen over de feiten waarvoor de bewijsmiddelen ontbraken, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij. De zaak werd terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening. Het overige cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt gedeeltelijk vernietigd wegens ontbreken van bewijsmiddelen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.