Conclusie
Inleiding
De bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
[D1] BV, hierna te noemen “de schuldenaar” of de “hypotheekgever”,
[B2] BV, hierna te noemen “schuldeiser”
Het verweer van de verdediging
Het eerste middel en de bespreking daarvan
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Stb. 2016/154). Gedragingen die vóór de inwerkingtreding op 1 juli 2016 zijn verricht vallen nog onder de oude wetgeving. Nu de tenlastegelegde feiten zich volgens de tenlastelegging in 2011 hebben afgespeeld, is in de voorliggende zaak art. 341 (oud) Sr van toepassing, toentertijd luidend:
[D1] BV, en niet van
[B1] BV, had te vorderen (mijn cursiveringen, A-G). Vervolgens is het hof nagegaan of desalniettemin aannemelijk is geworden dat door [B2] BV schulden van [B1] zijn overgenomen. Op grond van de door de verdediging overgelegde verklaringen van de betrokkenen is het hof tot de slotsom gekomen dat enkel aannemelijk is geworden dat [B2] BV voor € 240.000 aan schulden van [B1] BV heeft overgenomen. Aan de hand van deze vaststelling komt het hof tot een onttrekking aan de boedel van een bedrag van € 187.932,65. Dat schuldeisers van [B1] BV vervolgens daadwerkelijk zijn benadeeld, volgt uit de omstandigheid dat deze BV nadien in staat van faillissement is verklaard, aldus het hof.
een zelfde bedragtegenover stond” (mijn cursivering, A-G). Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat [B2] BV voor ‘slechts’ € 240.000 aan schulden van [B1] BV heeft overgenomen, terwijl [B2] BV in verband met de gevestigde hypotheek een bedrag van € 427.932,65 heeft ontvangen. Het oordeel van het hof dat geen sprake is van een kenbare tegenprestatie voor eenzelfde bedrag is dan ook in zoverre niet innerlijk tegenstrijdig. [11]
aanmerkelijke kans, dat wil zeggen een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid, [14] bestond dat het opzetten en uitvoeren van vorengenoemde U-constructie een verkorting van de rechten van de schuldeisers van [B1] BV zou doen ontstaan – hetgeen zich uiteindelijk ook heeft voltrokken – acht ik, mede bezien in het licht van de overige vaststellingen van het hof (zie hiervoor onder randnummers 19-21) en de gebezigde bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk. Uit dit een en ander volgt immers onder meer dat:
bewustheeft
aanvaard, kan ik al met al volgen. De verdachte heeft als notaris de constructie begeleid en was in die hoedanigheid van bovengenoemde omstandigheden op de hoogte. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verdachte wist dat de appartementsrechten in eerste instantie waren overgedragen uit angst voor beslaglegging. Het in de bewijsvoering besloten liggend oordeel dat de verdachte door mee te werken aan deze, ook voor hem als notaris, ongebruikelijke constructie, kennelijk zonder nader onderzoek te doen, die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard, komt mij dan ook niet onbegrijpelijk voor.
Het derde middel en de bespreking daarvan
handeldeen in de akte niet staat dat zij (nog) bestuurder
was;
handeldeen niet dat zij bestuurder
was, maakt dat niet anders. Het lijkt mij duidelijk dat een dergelijke formulering in een notariële akte impliceert dat de betreffende BV ook in feite de bestuurder is.
Het vierde middel en de bespreking daarvan
steunt(mijn cursivering, A-G), dus om bezwarend materiaal waarop de beslissing dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan, rechtstreeks steunt”. [31] Reeds hierom is wat betreft de onder de eerste twee hierboven weergegeven gedachtestreepjes genoemde feiten en omstandigheden een vernietiging van het bestreden arrest niet aan de orde. De overdracht van andere projecten dan het [project] in de [B] -groep (het eerste gedachtestreepje) heeft immers weinig van doen met de bewezenverklaarde feiten. Ten aanzien van de versluiering van de opbrengst van het [project] (het tweede gedachtestreepje) heb ik reeds onder randnummer 23 er op gewezen dat het hof deze omstandigheden niet heeft betrokken in het bewijs van opzet van de verdachte. Dat laatste geldt dan weer wel voor de onder het derde gedachtestreepje genoemde wetenschap van de verdachte bij het passeren van de akte (feit 4), maar ik deel niet het standpunt van de stellers van het middel dat die wetenschap zijn weerslag niet vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft die wetenschap in mijn lezing van de bewijsoverwegingen afgeleid uit de betrokkenheid van de verdachte bij de frauduleuze constructie. Deze betrokkenheid blijkt genoegzaam uit de in de bewijsmiddelen opgenomen leverings- en hypotheekaktes en de verklaring van de verdachte.
Slotsom