II.
De bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij tezamen en in vereniging met [A] BV (voorheen tot 18 april 2011 genaamd [B1] BV), in ieder geval de besloten vennootschap ingeschreven in het Handelsregister Kamer van Koophandel onder nummer [KvK-nummer 1] , in de periode februari 2011 tot en met juni 2011, in Nederland, tezamen en in vereniging met andere personen en/of met een andere rechtspersoon, terwijl genoemde rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 20 december 2011 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser, een goed, te weten een bedrag van Euro 187.932,65, zijnde een deel van de verkoopopbrengst van appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [a-straat 1] te [postcode] [plaats] en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [a-straat 2] te [postcode] [plaats] , van de verkopen/leveringen op 1 februari 2011 aan de boedel had onttrokken, hierin bestaande, dat dat geldbedrag, welk bedrag diende te worden overgemaakt naar [B1] BV (of vanaf 18 april 2011 naar [A] BV), vanaf zogenaamde derdengeldenrekening van kantoor [C] Notarissen werd overgemaakt naar een bankrekening van [B2] BV, welk bedrag met rentedata van 3 februari 2011, werd bijgeschreven op een bankrekening van [B2] BV, terwijl er geen sprake was van een kenbare tegenprestatie van [B2] BV;
3.
hij te Neede, in de gemeente Berkelland, op 1 februari 2011, als notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede, een authentieke akte, te weten een akte van levering van appartementsrecht, te weten de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [a-straat 1] te [postcode] [plaats] en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [a-straat 2] te [postcode] [plaats] , waarbij verkoper was [B1] BV en waarbij koper was [E] BV, zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die authentieke akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in die authentieke akte werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat [B3] BV in deze handelde als zelfstandig bevoegd bestuurder van [B1] terwijl [B3] BV op 1 februari 2011 – sinds 24 januari 2011 – geen bestuurder (meer) was van [B1] BV;
4.
hij te Neede, in de gemeente Berkelland, op 31 januari 2011, als notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede, een authentieke akte, te weten een hypotheekakte, inhoudende (zakelijk weergegeven) dat de hypotheekgever ( [D1] BV) had verklaard dat het recht van eerste van hypotheek en eerste pand was verleend tot een bedrag van Euro 422.750,- op de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [a-straat 1] te [postcode] [plaats] en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [a-straat 2] te [postcode] [plaats] , tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser ( [B2] BV) blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen dan wel uit welken anderen hoofde ook, en dat bij het verlijden van genoemde hypotheekakte aanwezig waren [betrokkene 1] (zakelijk weergegeven) handelend als bestuur van Stichting Administratiekantoor [D] Groep , welke stichting handelde als bestuur van [D2] BV, welke vennootschap handelde als bestuur van [D3] BV en welke vennootschap op haar beurt handelde als bestuur van de schuldenaar/hypotheekgever, [D1] BV, en [betrokkene 2] handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [B3] BV, welke vennootschap handelde als zelfstandig bevoegd bestuurder van de schuldeiser, [B2] BV, zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die authentieke akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat die authentieke akte inhoudelijk als bovenomschreven werd verleden, terwijl verdachte wist (zakelijk weergegeven) dat tegenover het verlenen van dat hypotheekrecht geen reële geldleningen of financieringen stonden of zouden komen te staan.”
4. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen met betrekking tot de feiten 1, 3 en 4 zijn in een aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a jº 415 Sv als volgt weergegeven:
“1. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 29 mei 2015 in eerste aanleg heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was ik notaris. Ik heb mij bezig gehouden met het opmaken van de notariële aktes die in de tenlastelegging zijn vermeld. [B1] was overgenomen door [betrokkene 3] . Er werd veel waarde aan gehecht om de overeenkomst in stand te houden om de koper niet af te schrikken. Die informatie moest dan ook bij mij blijven. Er werd veel waarde gehecht om de levering vanuit [B1] BV te doen. De transactie had tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 2] plaatsgevonden en dat nu [betrokkene 3] er bij zou kunnen komen, zou de uitvoering van de overeenkomst kunnen schaden.
2. De verklaring die verdachte ter terechtzitting van het hof op 7 oktober 2020 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U vraagt mij in hoeverre ik op de hoogte was van de herstructurering binnen de [B] -groep. Ik wist dat er een holding met zeven werk BV’s zou komen. Die had ik opgericht. Per project zou er één BV komen. Er zat geen waarde in het [project] . Het zou achter blijven en daarom is het ook niet in de overeenkomst genoemd.
Wat er aan de overige vijf hypotheekhouders betaald moest worden was bekend. Het ligt voor de hand dat partijen van te voren hebben berekend wat er betaald moest worden, wat er over bleef en hoe dat verdeeld zou worden.
Van belang is te begrijpen hoe [betrokkene 2] te werk ging. Hij kocht panden aan met private financiering. Door de torenhoge rentes die daar voor gevraagd werden kwamen dit soort projecten, als het allemaal te lang duurde, onder water te staan.
3. Het vonnis strekkende tot faillietverklaring van de rechtbank Rotterdam, sector civiel, van 20 december 2011 maart 2010, (AG-01-01) voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als beslissing van de rechtbank:
verklaart [A] B.V. in staat van faillissement;
4. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende [A] BV d.d. 10 mei 2012 (D-079) waaruit blijkt dat:
[A] BV op 13 juni 2002 door verdachte [betrokkene 2] is opgericht onder de naam [B1] BV. [B1] BV ontwikkelde projecten op het gebied van woning- en utiliteitsbouw.
verdachte [betrokkene 2] is vanaf de oprichting op 13 juni 2002 tot 24 januari 2011 (on)middellijk bestuurder van [B1] BV geweest (in de periode van 13 juni 2002 tot 31 december 2010 onmiddellijk bestuurder en in de periode van 31 december 2010 tot 24 januari 2011 middellijk bestuurder, middels [B3] BV);
de aandeelhouder van [B1] BV was gedurende de periode 18 september 2003 tot 31 december 2010 de Stichting Administratiekantoor [B1] . Bestuurders van deze stichting waren verdachte [betrokkene 2] , zijn vader [betrokkene 5] en zijn zuster [betrokkene 6] ;
op 31 december 2010 zijn de aandelen van [B1] BV ondergebracht in [B3] BV.
de laatste statutenwijziging vond plaats op 18 april 2011 en betrof de naamswijziging van [B1] BV in [A] BV.
[betrokkene 3] is vanaf 24 januari 2011, middels Stichting Administratiekantoor [F] , bestuurder van [B1] BV, later genoemd [A] BV.
[A] BV is op 20 december 2011 in staat van faillissement verklaard.
5. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende [B3] B.V. d.d. 8 mei 2012 (D-072) waaruit blijkt dat:
[B3] BV is opgericht op 7 december 2010.
De Stichting Administratiekantoor [B1] , later genoemd Stichting Administratiekantoor [B3] , is vanaf 31 december 2010 de aandeelhouder van [B3] BV en wordt bestuurd door verdachte [betrokkene 2] , zijn vader [betrokkene 5] en zijn zuster [betrokkene 6] .
6. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , opsporingsambtenaar belastingdienst/FIOD, opgemaakt proces-verbaal Zaak [A] B.V., zakelijk weergegeven, inhoudende:
[B3] B.V. is opgericht op 7 december 2010. De aandelen van deze rechtspersoon zijn ondergebracht in de stichting Stichting Administratiekantoor [B1] die op 31 december 2010 haar naam veranderde in Stichting Administratiekantoor [B3] .
Vervolgens werden in januari 2011 de navolgende rechtspersonen opgericht:
KVK [KvK-nummer 2] [B4] B.V., [b-straat 1] , [postcode] [plaats] ;
KVK [KvK-nummer 3] [B5] B.V., [b-straat 1] , [postcode] [plaats] ;
KVK [KvK-nummer 4] [B6] B.V., [b-straat 1] , [postcode] [plaats] ;
KVK [KvK-nummer 5] [B2] B.V., [b-straat 1] , [postcode] [plaats] ;
KVK [KvK-nummer 6] [B7] B.V., [b-straat 1] , [postcode] [plaats] ;
KVK [KvK-nummer 7] [B8] B.V., [b-straat 1] , [postcode] [plaats] ;
KVK [KvK-nummer 8] [B9] B.V., [b-straat 1] , [postcode] [plaats] ;
KVK [KvK-nummer 9] [B10] B.V., [b-straat 1] , [postcode] [plaats] ;
KVK [KvK-nummer 10] [B11] B.V., [b-straat 1] , [postcode] [plaats] .
De aandelen van deze rechtspersonen zijn ondergebracht in [B3] B.V.
7. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, zijnde het zogenaamde “Draaiboek” (D-452), zakelijk weergegeven, inhoudende:
Bovenaan de eerste bladzijde van dit ‘draaiboek’ staat de naam [B1] BV.
In de overige bladzijden zijn onder meer de volgende zinsneden opgenomen:
Overdracht notaris -> [verdachte] . Regelt [betrokkene 1] (...) [betrokkene 1] regelt dit.
(...) BV zolang mogelijk in de lucht laten. Tenminste 1 jr. proberen
(...) verplichte naamswijziging. Veranderen van zetel -> [plaats]
Vaststellen overnamesom voor [B1] BV -> opbrengst C1 en C2 [plaats] incl BTW.-> [D] -> hypotheek op dit vastgoed vestigen voor de overnamesom - [B2] -> [D] vestigd € 422.750,- hypotheek
€ 981.750,- incl. BTW -> € 825.000,- ex BTW
€ 743.750,- (€ 625.000,- excl. BTW)
€ 160.000,- [betrokkene 7]
€ 106.000,- [betrokkene 8]
€ 30.000.-[betrokkene 9]
€ 296.000,-
€ 25.000,- blijft achter in [B1] ten behoeve van [betrokkene 3] .
[B2] — [D] vestigd €422750 hypotheek.
8. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , opsporingsambtenaar belastingdienst/FIOD-ECD, en [verbalisant 2] , financieel rechercheur bij de Bovenregionale Recherche Noord- en Oost-Nederland, regiopolitie IJsselland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 12 juli 2012 (G-03-01), voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [betrokkene 3] zakelijk weergegeven inhoudende:
Pag. 2:
Vraag verbalisant: Op wiens initiatief is de rechtspersoon STAK [F] opgericht?
Pag. 3:
Gehoorde: “De initiatiefnemer in deze was [betrokkene 1] . Wanneer dat was weet ik echt niet meer. Op een gegeven moment vertelde [betrokkene 1] mij dat er een stichting moest worden opgericht. Die was nodig omdat [B1] voor een jaar geparkeerd moest worden. Daarna zou deze weer worden doorverkocht of worden weggeschoven. [betrokkene 1] zou dat regelen.
Vraag verbalisant: Wat was de reden om de STAK [F] op te richten en hoe is dat in zijn werk gegaan?
Gehoorde: ‘De reden was dat [B1] moest worden geparkeerd. Twee weken later of zoiets, heette [B1] plotseling [A] BV.
Vraag verbalisant: Wat is uw functie bij de STAK [F] ? Bent u in deze functie benoemd? Zo ja door wie?
Gehoorde: Op papier was ik de bestuurder. Ik had een papieren functie. [betrokkene 1] heeft dat geregeld.
Vraag verbalisant: Wie is de eigenaar van de STAK [F] ? Gehoorde: “Dat zal duidelijk zijn. Dat was [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] . De naam [betrokkene 2] had ik tot dan nooit gehoord. Wel heb ik de naam “ [betrokkene 2] ” gehoord. Later hoorde ik ook pas dat de naam [betrokkene 2] bij [B1] hoorde. De 1e keer dat ik [betrokkene 2] heb gesproken was bij het derde gesprek bij notaris [verdachte] .
Vraag verbalisant: Wat houden uw werkzaamheden voor de STAK [F] feitelijk in?
Gehoorde: “Ik heb hier totaal niets in gedaan.”
Vraag verbalisant: Zijn er certificaten van eigendom uitgegeven van de STAK [F] en zo ja, wie beschikt over deze certificaten?
Gehoorde: “lk weet niets van het bestaan van deze certificaten. Ik heb hier ook nooit iets van gezien.
9. Een akte (D-509) zijnde een akte levering appartementsrecht d.d. 21 december 2010 opgemaakt door notaris [verdachte] zakelijk weergegeven, inhoudende:
De appartementsrechten m.b.t. de commerciële ruimten [a-straat 1 en 2] te [plaats] worden door verdachte [betrokkene 2] , namens [B1] BV, o.g.v. een koopovereenkomst d.d. 15 juni 2010 geleverd aan [betrokkene 10] (een medewerker van verdachte [betrokkene 2] ) voor de Prijs van € 200.000,- ex BTW.
Hypotheken en beslagen
Het verkochte is belast met:
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot vierhonderdduizend euro (€ 400.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op dertig november tweeduizend negen voor een plaatsvervanger van de te [plaats] gevestigde notaris [betrokkene 11] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op dertig november tweeduizend negen in deel [001] nummer [002] ;
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot vierhonderdduizend euro (€ 400.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op dertig november tweeduizend negen voor een plaatsvervanger van de te [plaats] gevestigde notaris [betrokkene 11] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op dertig november tweeduizend negen in deel [001] nummer [003] ;
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot tweehonderd vijftigduizend euro (€ 250.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op vijf maart tweeduizend tien voor [betrokkene 12] , notaris te [plaats] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op vijf maart tweeduizend tien in deel [004] nummer [005] ;
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot eenhonderd vijftigduizend euro (€ 150.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op tweeëntwintig april tweeduizend tien voor [betrokkene 13] , notaris te [plaats] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op tweeëntwintig april tweeduizend tien in deel [006] nummer [007] ;
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot tweehonderd vijftigduizend euro (€ 250.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op twintig april tweeduizend tien voor [betrokkene 13] , notaris te [plaats] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op eenentwintig april tweeduizend tien in deel [006] nummer [008] .
10. Een akte (D-510) zijnde een akte levering appartementsrecht d.d. 29 december 2010 opgemaakt door notaris [verdachte] zakelijk weergegeven, inhoudende dat:
De appartementsrechten m.b.t. de commerciële ruimten [a-straat 1 en 2] te [plaats] door [betrokkene 10] worden verkocht aan medeverdachte [betrokkene 1] namens [D1] BV, eveneens voor de prijs van € 200.000,-- ex BTW. Het verkochte is belast met:
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot vierhonderdduizend euro (€ 400.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op dertig november tweeduizend negen voor een plaatsvervanger van de te [plaats] gevestigde notaris [betrokkene 11] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op dertig november tweeduizend negen in deel [001] nummer [002] ;
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot vierhonderdduizend euro (€ 400.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op dertig november tweeduizend negen voor een plaatsvervanger van de te [plaats] gevestigde notaris [betrokkene 11] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op dertig november tweeduizend negen in deel [001] nummer [003] ;
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot tweehonderd vijftigduizend euro (€ 250.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op vijf maart tweeduizend tien voor [betrokkene 12] , notaris te [plaats] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op vijf maart tweeduizend tien in deel [004] nummer [005] ;
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot eenhonderd vijftigduizend euro (€ 150.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op tweeëntwintig april tweeduizend tien voor [betrokkene 13] , notaris te [plaats] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op tweeëntwintig april tweeduizend tien in deel [006] nummer [007] ;
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot tweehonderd vijftigduizend euro (€ 250.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op twintig april tweeduizend tien voor [betrokkene 13] , notaris te [plaats] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op eenentwintig april tweeduizend tien in deel [006] nummer [008] .
11. Een akte (D-511) zijnde een hypotheekakte d.d. 31 januari 2011 opgemaakt door notaris [verdachte] , zakelijk weergegeven, inhoudende:
1. [betrokkene 1] , namens
[D1] BV, hierna te noemen “de schuldenaar” of de “hypotheekgever”,
2. [betrokkene 2] , namens
[B2] BV, hierna te noemen “schuldeiser”
Partijen verklaarden als volgt:
Overeenkomst tot vestiging van hypotheek en pand
De schuldenaar en de schuldeiser zijn overeengekomen dat ten behoeve van de schuldeiser het recht van eerste hypotheek en eerste pand zal worden verleend op de in deze akte vermelde goederen, tot zekerheid als in deze akte omschreven.
Hvpotheekverlening
De schuldenaar verklaarde, ter uitvoering van voormelde overeenkomst, aan de schuldeiser te verlenen tot het hierna te noemen bedrag op het hierna te noemen onderpand, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook
Hypotheek bedrag
De hypotheekgever verklaarde dat het recht van hypotheek is verleend tot:
a) een bedrag van vierhonderd tweeëntwintigduizend zevenhonderdvijftig euro (€ 422.750,00)
Registergoed
Het recht van zesde hypotheek wordt gevestigd op het appartementsrecht omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met de parkeerplaats op de begane grond aan de [a-straat 1 en 2] te [plaats] .
Deze akte is verleden te Neede gemeente Berkelland op de dag die in het hoofd van de akte is vermeld. Onmiddellijk na beperkte voorlezing, met welke beperkte voorlezing de verschenen personen verklaarden in te stemmen, is deze akte ondertekend door de verschenen personen en mij, notaris, om zestien uur vijfenveertig.
12. Een akte (D-512) zijnde een akte levering appartementsrecht d.d. 31 januari 2011 opgemaakt door notaris [verdachte] zakelijk weergegeven inhoudende:
De appartementsrechten m.b.t. de commerciële ruimten [a-straat 1 en 2] te [plaats] eveneens op 31 januari 2011 door medeverdachte [betrokkene 1] namens [D1] BV worden verkocht aan [B1] BV, vertegenwoordigd door [betrokkene 3] voor € 200.000,-- ex BTW.
Het verkochte is belast met:
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot vierhonderdduizend euro (€400.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op dertig november tweeduizend negen voor een plaatsvervanger van de te [plaats] gevestigde notaris [betrokkene 11] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op dertig november tweeduizend negen in deel [001] nummer [002] ;
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot vierhonderdduizend euro (€400.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op dertig november tweeduizend negen voor een plaatsvervanger van de te [plaats] gevestigde notaris [betrokkene 11] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op dertig november tweeduizend negen in deel [001] nummer [003] ;
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot tweehonderd vijftigduizend euro (€ 250.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op vijf maart tweeduizend tien voor [betrokkene 12] , notaris te [plaats] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op vijf maart tweeduizend tien in deel [004] nummer [005] ;
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot eenhonderd vijftigduizend euro (€150.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op tweeëntwintig april tweeduizend tien voor [betrokkene 13] , notaris te [plaats] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op tweeëntwintig april tweeduizend tien in deel [006] nummer [007]
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot tweehonderd vijftigduizend euro (€250.000,00), blijkens een akte van hypotheekstelling op twintig april tweeduizend tien voor [betrokkene 13] , notaris te [plaats] verleden, ingeschreven in register hypotheken 3 op eenentwintig april tweeduizend tien in deel [006] nummer [008] .
met een hypothecaire inschrijving in hoofdsom groot een bedrag van vierhonderd tweeëntwintigduizend zevenhonderdvijftig euro (€ 422.750,00), blijkens een akte van hypotheekstelling die mede op heden, voor mij, notaris, is verleden.
Deze akte is verleden te Neede gemeente Berkelland op de dag die in het hoofd van de akte is vermeld. Onmiddellijk na beperkte voorlezing, met welke beperkte voorlezing de verschenen personen verklaarden in te stemmen, is deze akte ondertekend door de verschenen personen en mij, notaris, om zeventien uur.
13. Een akte (D-321) zijnde een akte levering appartementsrecht d.d. 1 februari 2011 opgemaakt door notaris [verdachte] , zakelijk weergegeven inhoudende:
Verdachte [betrokkene 2] als schriftelijk gevolmachtigde van [B3] BV, te deze handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [B1] BV de appartementsrechten van [a-straat 1 en 2] te [plaats] op 1 februari 2011 aan [betrokkene 14] , namens [E] BV, verkoopt voor de prijs van € 625.000,- ex BTW.
14. Een akte (D-320) zijnde een akte levering appartementsrecht d.d. 1 februari 2011 opgemaakt door notaris [verdachte] , zakelijk weergegeven inhoudende:
[betrokkene 14] , handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [E] B.V. de appartementsrechten van [a-straat 1 en 2] te [plaats] op 1 februari 2011 aan [betrokkene 4] verkoopt voor de prijs van € 750.000,00 vermeerderd met 19% omzetbelasting, ofwel € 142.500,00. De koopprijs inclusief de omzetbelasting bedraagt mitsdien € 892.500,00.
15. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een bankafschrift van de Rabobank ten name van [B2] BV (D-531), zakelijk weergegeven inhoudende:
Op 3 februari 2011 werd door [C] Notarissen een bedrag van € 427.932,65 naar [B2] BV overgemaakt, met de mededeling: “Spoedopdracht afl. comm. ruimte H bergen, ons kenm: 20110097.
Op 3 februari 2011 werd door [B2] B.V. een drietal bedragen te weten: € 150.000,-, € 150.000,- en € 128.000,- overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name Van [B3] B.V. met de mededeling: “overboeking”.
Voorts is op 21 februari 2011 door [B2] B.V. een bedrag van € 65.000,- overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [betrokkene 1] onder mededeling: “terugbetaling lening”.
Verder is op 21 februari 2011 door [B2] B.V. een bedrag van € 10.000,- overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 3] ten name van [G] B.V. onder mededeling: “terugbetaling lening”.
16. Het schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een nota van [C] notarissen, welke door medeverdachte [betrokkene 2] is ingediend en ook aan het dossier van verdachte is toegevoegd, bijlage C-H, inhoudende:
Voor: [B1] BV
BTW-nummer: [BTW-nummer]
[postbus]
[postcode] [plaats]
Factuurnummer: 20110097 Dossiernummer : 7168/13359
Factuurdatum: 2 februari 2011 Passeerdatum: 1 februari 2011
Betreft: verkoop [a-straat] aan [E] BV.
specificatie te betalen te ontvangen
Koopsom € 625.000,00
BTW over koopsom € 118.750,00
€ 743.750,00
Honorarium levering (belast) € 495,00
gemeentelijke basisadministratie € 10,00
Inschrijving kadaster (onbelast) € 145,00
recherche kadaster (belast) € 60,00
19,0% BTW over €565,00 € 107,35
€ 817,35
Aflossing hypotheek [betrokkene 7] € 160.000,00
Aflossing hypotheek [betrokkene 8] € 100.000,00
Aflossing hypotheek [betrokkene 9] € 30.000,00
Aflossing hypotheek [B2] BV € 427.932,65
€ 717.932,65
€ 718.750,00
€ 743.750,00
€ -718.750,00
Totaal van deze afrekening € 25.000,00
5. Voorts heeft het hof ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:
“Feit 1
Feitelijke gang van zaken
De rechtbank heeft uit het dossier de navolgende feitelijke gang van zaken afgeleid.
“Medeverdachte [betrokkene 2] heeft [B1] BV op 13 juni 2002 opgericht. [B1] BV ontwikkelde projecten op het gebied van woning- en utiliteitsbouw. Vanaf de oprichting op 13 juni 2002 tot 24 januari 2011 is medeverdachte [betrokkene 2] (on)middellijk bestuurder van [B1] BV geweest (in de periode van 13 juni 2002 tot 31 december 2010 onmiddellijk bestuurder en in de periode van 31 december 2010 tot 24 januari 2011, middellijk bestuurder, middels [B3] BV). De Stichting Administratiekantoor [B1] is gedurende de periode van 18 september 2003 tot 31 december 2010 aandeelhouder van [B1] BV geweest. Bestuurders van deze stichting waren medeverdachte [betrokkene 2] , zijn vader [betrokkene 5] en zijn zuster [betrokkene 6] . Op 31 december 2010 zijn de aandelen van [B1] BV ondergebracht in [B3] BV. Vervolgens is op 24 januari 2011 [betrokkene 3] , middels de Stichting Administratiekantoor [F] , bestuurder en enig aandeelhouder van [B1] BV geworden. De naam van [B1] BV is daarna op 18 april 2011 in [A] BV gewijzigd. [A] BV is op 20 december 2011 in staat van faillissement verklaard.
[B3] BV is opgericht op 7 december 2010. Medeverdachte [betrokkene 2] is vanaf de datum van oprichting bestuurder van [B3] BV. De Stichting Administratiekantoor [B1] , later genoemd Stichting Administratiekantoor [B3] , was vanaf 31 december 2010 de aandeelhouder van [B3] BV. In januari 2011 zijn de navolgende nieuwe [B] vennootschappen opgericht:
[B4] BV;
[B5] BV;
[B6] BV;
[B2] BV;
[B7] BV;
[B8] BV;
[B9] BV;
[B10] BV;
[B11] BV.
De aandelen van deze rechtspersonen zijn ondergebracht in [B3] BV.
Op 4 januari 2011 heeft [B1] BV zeven van haar onderhanden projecten voor een bedrag van per saldo € 1.101.000,-- verkocht aan zeven nieuwe vennootschappen van de [B] -groep. Vervolgens is in een overeenkomst tussen [B1] BV, de zeven overnemende [B] vennootschappen en [B3] BV, gedateerd 10 januari 2011, geconstateerd dat in de overeenkomst van 4 januari 2011 geen rekening is gehouden met een aantal onderhanden werkposities. De koopprijzen van de overgedragen projecten zijn om die reden met een bedrag van € 2.505.500,-- verhoogd tot € 3.606.500,--.
Het [project] in [plaats] maakte geen deel uit van deze overeenkomst. In genoemde overeenkomst zijn de financieringen die met het [project] samenhingen derhalve niet opgenomen. Het [project] is niet overgedragen aan een nieuwe [B] vennootschap, maar is achtergebleven in [B1] BV. De verkoopopbrengst van dit project had dan ook bij [B1] BV terecht moeten komen.
Op 21 december 2010 heeft medeverdachte [betrokkene 2] de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimten aan de [a-straat 1 en 2] te [plaats] , namens [B1] BV voor € 200.000,-- ex BTW geleverd aan [betrokkene 10] (een medewerker van medeverdachte [betrokkene 2] ). Deze appartementsrechten zijn vervolgens door voornoemde [betrokkene 10] op 29 december 2010 verkocht aan [D1] BV, vertegenwoordigd door medeverdachte [betrokkene 1] , eveneens voor de prijs van € 200.000 ex BTW. Op dat moment is [betrokkene 1] middels de Stichting Administratiekantoor [D] Groep , [D2] BV, [H] BV, middellijk bestuurder en aandeelhouder van [D1] BV.
Op 31 januari 2011 is een akte ondertekend door medeverdachte [betrokkene 1] , namens [D1] BV als hypotheekgever, en medeverdachte [betrokkene 2] , namens [B2] BV, ten behoeve van het recht van eerste hypotheek en eerste pand op het onderpand [a-straat 1 en 2] te [plaats] . Het hypotheekbedrag bedroeg € 422.750,--.
Eveneens op 31 januari 2011 (15 minuten later) zijn de appartementsrechten door medeverdachte [betrokkene 1] namens [D1] BV verkocht aan [B1] BV, vertegenwoordigd door [betrokkene 3] (die op 24 januari 2011 de middellijk bestuurder van [B1] BV was geworden), eveneens voor €200.000,-- ex BTW.
Een dag later, op 1 februari 2011, heeft medeverdachte [betrokkene 2] , in de akte van levering aangeduid als schriftelijk gevolmachtigde van [B3] BV, te deze handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [B1] BV, de appartementsrechten van [a-straat 1 en 2] te [plaats] verkocht en geleverd aan [betrokkene 14] , namens [E] BV, voor de prijs van € 625.000,-- ex BTW. Eveneens op 1 februari 2011 heeft [betrokkene 14] de appartementsrechten voor de prijs van € 750.000,-- ex BTW doorverkocht aan [betrokkene 4] .
Uit bankafschriften van [B2] BV is gebleken dat [C] Notarissen, het kantoor waar verdachte als notaris aan verbonden was, op 3 februari 2011 een bedrag van € 427.932,65 naar [B2] BV heeft overgemaakt, met de mededeling ‘Spoedopdracht afl. comm. ruimte Hbergen’."
Het hof volgt de rechtbank in haar overwegingen als voormeld met betrekking tot de feitelijke gang van zaken en neemt die over en maakt die tot de zijne.
Verdachte heeft alle akten met betrekking tot de hiervoor genoemde leverings- dan wel vestigingshandelingen aangaande vorenbedoelde appartementsrechten opgemaakt en deze akten zijn alle voor hem als notaris gepasseerd. Temeer nu deze handelingen in een zeer korte tijdspanne plaatsvonden (21 december 2010 tot en met 1 februari 2011) kan het niet anders zijn dat verdachte, zeker in zijn rol bij dit alles als notaris, wist dat de appartementsrechten toebehoorden aan [B1] BV en dat de opbrengst van de verkoop aan die BV ten goede moest komen. Verdachte heeft meegewerkt aan een U-bochtconstructie, waarin de appartementsrechten binnen die korte tijdspanne beneden de prijs werden doorverkocht aan [D1] BV, een BV van [betrokkene 1] , en daarna weer werden terug verkocht aan [B1] BV. Zodoende werden de appartementsrechten tijdelijk buiten de macht van [B1] BV gebracht om het mogelijk te maken in die tussentijd een hypotheekrecht te vestigen ten gunste van [B2] BV.
De verdediging heeft aangevoerd dat tegenover de vestiging van het recht op hypotheek ten behoeve van [B2] BV een kenbare tegenprestatie stond, in de vorm van het overnemen van schulden. De verdediging heeft daarbij gewezen op in hoger beroep overgelegde verklaringen en stukken. Het hof overweegt daarover als volgt. Allereerst verdient opmerking dat door [D] het recht van hypotheek op de onroerende zaak is verleend aan [B2] voor al hetgeen [B2] van [D] had te vorderen en niet voor al hetgeen [B2] van [B1] had te vorderen. Niettemin zal het hof nader ingaan op de vraag of aannemelijk is geworden dat door [B2] schulden van [B1] zijn overgenomen.
Aan het dossier toegevoegd een door medeverdachte [betrokkene 2] opgestelde verklaring met bijlagen waarin wordt betoogd dat sprake is van schuldovername. Hij stelt daarin dat na overboeking van het in het draaiboek genoemde bedrag van € 296.000,- aan de hypotheekhouders nog € 527.235,- aan restschuld zou overblijven. Daarnaast zou Vastgoed een schuld van bijna € 100.000,- aan medeverdachte [betrokkene 1] hebben. Ter onderbouwing heeft hij vier verklaringen van geldverstrekkers/hypotheeknemers overgelegd. Het hof zal die verklaringen hieronder bespreken.
Uit de verklaring van [betrokkene 7] (C-G1) zou kunnen blijken dat hij na aflossing van € 160.000,- nog een restschuld had van € 240.000,- op [B1] BV. Hij stelt daar destijds met medeverdachte [betrokkene 2] , voorafgaand aan het faillissement, afspraken over te hebben gemaakt en, zonder specifiek in te gaan op nadere voorwaarden, rondom de schuldovername/vernieuwing, gecommuniceerd te hebben met verdachte. Ook geeft hij aan zich niet gemeld te hebben als schuldeiser in het faillissement van [B1] omdat de schuld is overgenomen door [B2] BV. Hoewel de verklaring niet vermeldt wanneer die schuld dan door [B2] BV is overgenomen, is met de verklaring voldoende aannemelijk dat zulks destijds gebeurd is.
Uit de overgelegde verklaring van [betrokkene 8] (bijlage C-G2) wordt niet duidelijk welk bedrag aan wie of aan welke vennootschap is verstrekt. Op grond van deze verklaring wordt niet aannemelijk dat [B2] BV schulden van Vastgoed heeft overgenomen.
Uit de twee overgelegde verklaringen van [betrokkene 9] (C-G3 en C-G4) wordt slechts duidelijk dat de openstaande schulden zijn overgenomen door “de nieuwe vennootschap van [betrokkene 2] ”. Hij verwijst daarbij naar notariële akten d.d. 1 februari 2011 die ook zijn overgelegd (bijlage C-J). Uit die akten blijkt dat de schulden niet zijn overgenomen door [B2] BV, maar door [B6] BV.
Hoewel op enig moment in de procedure een kopie van een onderhandse akte van geldlening tussen [B1] BV en [betrokkene 1] d.d. 26 november 2009 is overgelegd, acht het hof deze geldlening niet aannemelijk nu deze in de auditfiles van [B2] BV niet terug te vinden zijn.
Al met al is niet aannemelijk geworden dat schulden door [B2] voor een bedrag van meer dan € 240.000,- zijn overgenomen.
Ten aanzien van de betalingen van € 65.000,- en € 10.000,- wordt het volgende overwogen. Deze betalingen zouden betrekking hebben op een lening van medeverdachte [betrokkene 1] aan [B1] BV. In de boekhouding van [B2] BV is niet te herleiden waarop deze leningen betrekking zouden moeten hebben. Ten bewijze van deze lening is een kopie van een onderhandse akte overgelegd (bijlage C-K). Uit die akte blijkt dat als schuldenaren worden aangemerkt [B1] BV en [betrokkene 2] Projectontwikkeling BV. In de boekhouding van [B2] BV zijn de betalingen verwerkt als “aflossing lening” en op de geconsolideerde balans van [B3] zijn de betalingen opgenomen onder de overlopende activa. De lening ontbreekt vervolgens op overzichten met schuldeisers van [B1] en komt ook niet voor in het draaiboek. Het hof hecht om die redenen geen waarde aan die onderhandse akte. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Het ter zitting van 7 oktober 2020 gedane voorwaardelijke verzoek van de verdediging om de heer [betrokkene 9] als getuige te horen omtrent afspraken rondom het royement van de hypotheekhouders wordt afgewezen, nu in het licht van de reeds overgelegde stukken de noodzaak om de getuige te horen onvoldoende is onderbouwd.
De verdediging heeft aangevoerd dat het bedrag van € 427.932,65 dat verdachte op 3 februari 2011 naar [B2] BV heeft overgemaakt nooit tot de boedel van [B1] BV zou gaan behoren omdat de hypotheekhouders akkoord zijn gegaan met royement en, als onderdeel van de afspraken aangaande het royement, een deel van die hypotheekhouders besloot tot herinvestering van [B2] BV dan wel een andere vennootschap behorende tot de [B3] structuur. Daarmee was er geen sprake van benadeling van schuldeisers.
Het hof overweegt hierover als volgt. Dat er sprake zou zijn van afspraken rondom het royement van de hypotheekhouders blijkt nergens uit. Deze stelling is pas in hoger beroep naar voren gebracht, niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk geworden. Bovendien valt niet in te zien waarom er dan een zesde hypotheek gevestigd moest worden. Uiteindelijk is [B1] BV (als [A] BV), op 20 december 2011 in staat van faillissement verklaard, terwijl er een bedrag naar [B2] BV is gegaan waar geen kenbare tegenprestatie voor een zelfde bedrag tegenover stond. Het verweer wordt derhalve verworpen.
Door verdachte is aangevoerd dat er een plausibele reden was voor het opmaken van de hypotheekakte. Het hof verwijst voor de beoordeling daarvan naar hetgeen hieronder over het onder feit 4 ten laste gelegde wordt overwogen.
Een en ander leidt tot de conclusie dat de reden van het vestigen van het hypotheekrecht enkel en alleen kan zijn gelegen in het ten onrechte scheppen van een executoriale titel om de van [betrokkene 4] , via [E] BV, verkregen koopsom, althans een groot deel daarvan, niet aan [B1] BV maar aan [B2] BV ten goede te laten komen, hetgeen verdachte ook heeft uitgevoerd door vervolgens op 3 februari 2011 een bedrag groot € 427.932,65 op de rekening van [B2] BV over te boeken en aldus een bedrag aan de verkopende partij [B1] BV te onttrekken.
Het aan de boedel onttrokken bedrag
In de activa/passiva overeenkomst van 4 januari 2011 is de overdracht geregeld van de door [B1] BV aan de verschillende [B] vennootschappen overgedragen projecten en bijbehorende financieringen. Het [project] in [plaats] maakte geen deel uit van deze overeenkomst. In genoemde overeenkomst zijn de financieringen die met het [project] samenhingen derhalve niet opgenomen. Daarnaast is in de boekhouding van [B3] BV geen vordering in verband met de verkoopopbrengsten van het [project] opgenomen (en wel de inbreng vanuit [B1] BV naar de nieuwe [B] vennootschappen). Het hof maakt hieruit op dat het [project] niet is overgedragen aan een nieuwe [B] vennootschap, maar is achtergebleven in [B1] BV. De verkoopopbrengst van dit project had dan ook bij [B1] BV terecht moeten komen. Uit het dossier blijkt echter dat de notaris een bedrag van € 427.932,65 niet naar [B1] BV heeft overgemaakt, maar naar [B2] BV. [B2] BV noch [B3] BV heeft deze opbrengst met [B1] BV verrekend. Deze opbrengst is vervolgens niet als zodanig in [B2] BV en [B3] BV verantwoord, maar versluierd en onder een andere noemer, namelijk grotendeels als opbrengst van aandelen, in de geconsolideerde cijfers van [B3] BV opgenomen.
Uit het vorenstaande en hetgeen hiervoor met betrekking tot het overnemen van schulden is overwogen, leidt het hof af dat het de bedoeling van medeverdachte [betrokkene 2] is geweest om tezamen en in vereniging met medeverdachte [betrokkene 1] de appartementsrechten tijdelijk buiten de macht van [B1] BV te brengen. In die korte periode is een hypotheek gevestigd – zonder dat daar reële geldleningen en financieringen tegenover stonden – die als titel moest dienen om van de verkoopopbrengst van de appartementsrechten een bedrag van € 427.932,65 naar [B2] BV te laten overmaken. Daar stond slechts de overname van een schuld van ongeveer € 240.000 tegenover. Voor de overboeking van € 187.932,65 is geen rechtvaardiging. Dit bedrag is daarmee aan [B1] BV onttrokken. Uit de omstandigheid dat [B1] BV nadien in staat van faillissement is verklaard volgt dat schuldeisers zijn benadeeld.
Net als de rechtbank leidt het hof verder uit het dossier af dat de twee bedragen van € 119.000,--, die door de notaris naar [B2] BV zijn overgemaakt, samenhangen met een aannemingsovereenkomst tussen [B2] BV en Aannemersbedrijf [I] van 22 februari 2011, met betrekking tot het [project] . [B2] BV heeft deze betalingsverplichting overgenomen van [B1] BV. Van deze twee bedragen kan dan ook niet gezegd worden dat ze aan de boedel van [B1] BV onttrokken zijn.
Verdachte heeft als notaris een onderzoeksplicht en dient toe te zien op een juiste financiële afwikkeling bij de levering van registergoederen en bij de vestiging en levering van beperkte rechten op die registergoederen en dient in de akte op te nemen de gegevens die voor de rechtstoestand van belang zijn. Daarnaast dient hij erop toe te zien dat de koper het verkochte verkrijgt overeenkomstig de gemaakte afspraken en dat daarbij een juiste financiële afwikkeling plaatsvindt.
Temeer gezien zijn rol in dit geheel, waarbij alle leverings- en vestigingshandelingen met betrekking tot de onderhavige registergoederen voor hem passeren, mag hij daarbij niet afgaan op partijverklaringen en dient hij zelf onderzoek te doen. Aantoonbare onjuistheden in de akten dienen in dat verband in beginsel aan hem te worden toegerekend.
Verdachte heeft onder vorenomschreven omstandigheden zijn medewerking verleend aan een opeenvolging van transacties, die gezamenlijk in onderlinge samenhang bezien, klaarblijkelijk als constructie moet worden aangemerkt. Daarbinnen heeft verdachte, zonder dat er een schuld of andere verplichting tegenover stond, een hypotheekrecht gevestigd op grond waarvan hij een deel van de opbrengst van de appartementsrechten, zijnde een betrekkelijk groot bedrag, aan een andere vennootschap dan de verkopende partij heeft doen toekomen.
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte er niet mee bekend was dat er een aanmerkelijk risico zou ontstaan op een faillissement.
Het hof overweegt daarover evenwel als volgt. Verdachte wist dat de [B] groep in een reorganisatie verwikkeld was. Daar komt nog bij dat in dat verband geen enkele logische en aantoonbare relatie bestond tussen de [B] groep en [D1] BV, in die zin dat daaruit schulden of andere verplichtingen in die orde van grootte zouden voortvloeien. Verdachte wist dat [B1] BV na de reorganisatie de achterblijvende vennootschap was, van waaruit diverse projecten waren overgeheveld naar de nieuwe vennootschappen en had zich bovendien, zo blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg, waarin hij aangeeft dat de appartementsrechten in eerste instantie werden overgedragen uit angst voor beslaglegging, moeten realiseren dat [B1] BV kwetsbaar was. Hiermee heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat schuldeisers zouden worden benadeeld bewust aanvaard. Het verweer wordt verworpen.
Het hof komt tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met natuurlijke- en rechtspersonen een bedrag van € 187.932,65 ter bedrieglijke verkorting van schuldeisers aan de boedel van [B1] BV heeft onttrokken.
Met betrekking tot feit 3 heeft de rechtbank in aanvulling op de overwegingen bij feit 1 als volgt overwogen.
“Verdachte heeft in de akte van levering van 1 februari 2011 betreffende de onderhavige appartementsrechten ( [a-straat 1 en 2] ) vermeld dat die rechten werden verkocht door [B3] BV en dat namens die vennootschap optrad [B3] BV als zelfstandig bevoegd bestuurder van [B1] BV, waarbij [betrokkene 2] in deze handelde als schriftelijk gevolmachtigde van [B3] BV. Verdachte heeft ter terechtzitting toegegeven dat dit niet juist is omdat [B3] BV sinds 24 januari 2011 geen bestuurder meer was van [B1] BV. De aandelen zijn op 24 januari 2011 overgedragen aan de Stichting Administratiekantoor [F] , met als bestuurder [betrokkene 3] , die – zakelijk weergegeven – heeft verklaard in deze als stroman van [betrokkene 1] te zijn opgetreden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat er een koper voor de appartementsrechten was, genaamd [betrokkene 4] , dat de verkoop via [E] BV zou gaan en dat de koopovereenkomst die aan deze levering ten grondslag lag tot stand was gekomen toen [betrokkene 2] nog middellijk bestuurder was van [B1] BV. Verdachte heeft daarbij toegegeven dat er een belang was bij de verkopende partij om de koper niet af te schrikken door de bestuurswisseling."
Het hof volgt de rechtbank in haar overwegingen als voormeld en neem die over.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe primair aangevoerd dat het weliswaar juist is dat [B3] BV op 1 februari 2011 geen bestuurder meer was van [B1] BV, maar het verwijt betreft dat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel opgenomen was dat [B3] BV per 24 januari 2011 als bestuurder van [B1] BV uit functie was getreden en dat per 24 januari 2011 als bestuurder van [B1] BV de Stichting Administratiekantoor [F] in functie was getreden. Dat laatste deel van de tenlastelegging kan niet bewezen worden, nu uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel van Stak [F] blijkt dat de inschrijving bij de Kamer van Koophandel pas op 5 februari 2011 heeft plaatsgevonden, dus na het opmaken van de akte. Nu dit onderdeel niet kan worden bewezen moet vrijspraak volgen, omdat het resterende deel van de tenlastelegging geen strafbaar feit is, dan wel dat anders de grondslag van de tenlastelegging wordt verlaten.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is met de raadsman van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de bestuurswissel op 1 februari 2011 in de Kamer van Koophandel was ingeschreven, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Anders dan de raadsman is het hof echter van oordeel dat het overblijvende bewezen deel van de tenlastelegging wel een strafbaar feit betreft en dat bij bewezenverklaring daarvan de grondslag van de tenlastelegging niet wordt verlaten. Het verwijt betreft immers het valselijk opmaken van de akte, waarbij de valsheid bestaat uit het in die akte opnemen dat [B3] BV handelde als zelfstandig bevoegd bestuurder van [B1] , terwijl [B3] BV op 1 februari 2011 geen bestuurder (meer) was van [B1] BV. Zoals hierboven overwogen was verdachte daarvan op de hoogte. Het verweer wordt dan ook verworpen.
De verdediging heeft subsidiair aangevoerd dat de bevoegde bestuurder een volmacht heeft gegeven en dat de vennootschap blijft gebonden aan de rechtsgeldige volmacht, zodat ook om deze reden vrijspraak moet volgen.
Het hof wil best wel aannemen dat [betrokkene 2] gevolmachtigd was door [B3] BV, maar het gaat erom dat op het moment van leveren [B3] BV geen bestuurder meer was van [B1] . Dat is de onjuistheid in de akte en verdachte wist dat.
Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen voorwaardelijk opzet had op de valsheid in de akte.
Het hof verwerpt dit verweer omdat het ongeloofwaardig is dat het hier zou gaan om een vergissing mede gezien het grote aantal door verdachte opgemaakte akten voor deze klant van verdachte. Verdachte wist dat op opgave in de akte onjuist was en heeft daar ook bewust voor gekozen. Daarbij speelt voor wat betreft de overtuiging van het hof ook mee dat deze akte een onderdeel uitmaakt van een samenstel van door verdachte opgestelde akten die verband houdt met de hiervoor omschreven constructie, bedoeld om de opbrengst van de appartementsrechten van [B1] BV voor medeverdachte [betrokkene 2] veilig te stellen en deze vervolgens aan zijn vennootschap, [B2] BV, ten goede te laten komen. Ook dit verweer wordt verworpen.
Het hof concludeert dat verdachte als notaris opzettelijk de authentieke akte valselijk heeft opgemaakt.
Voor een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en (een) ander(en) bij het opmaken van genoemde valsheid in de notariële akte, ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten in het dossier. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het hem onder 3 ten laste gelegde voor zover dat een samenwerking met (een) ander(en) betreft.
Met betrekking tot feit 4 heeft de rechtbank als volgt overwogen.
“Verdachte heeft op 31 januari 2011 de hypotheekakte opgesteld waarin [D1] BV het recht van eerste hypotheek op de onderhavige appartementsrechten ( [a-straat 1 en 2] ) vestigt ten gunste van [B2] BV. In die akte is opgenomen dat het hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser [B2] BV van de schuldenaar [D1] BV te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welke andere hoofde dan ook.
De rechtbank heeft hiervoor (feit 1) reeds overwogen dat er op het moment van vestigen van deze hypotheek geen leningen of andere verplichtingen tegenover stonden, dat er gelet op de zeer korte tijdspanne waarbinnen de appartementsrechten aan een derde zouden worden geleverd geen toekomstige leningen of andere financiële verplichtingen in de lijn der verwachting konden liggen en dat de reden van het vestigen van het hypotheekrecht enkel en alleen kan zijn gelegen in het ten onrechte scheppen van een executoriale titel. In de akte is dus in strijd met de waarheid opgenomen dat het hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van schulden of andere verplichtingen. Gezien de wetenschap en positie waarin verdachte verkeerde toen hij deze akte passeerde en zijn handelwijze daarna, in de zin van uitbetaling aan een ander dan de verkopende partij, kan het niet anders zijn dan dat verdachte dit opzettelijk op deze wijze, in strijd met de waarheid, in de akte heeft opgenomen.”
Het hof volgt de rechtbank in haar overwegingen als voormeld en neem die over.
De verdediging heeft aangevoerd dat de tem ‘financieringen’ zoals deze in de tenlastelegging is opgenomen, niet bewezen kan worden, omdat deze term niet in de akte voorkomt. Daarbij staan er nog zeven andere tegenprestaties in de akte vermeld, waarvan verdachte niet verweten wordt dat daar evenmin geen sprake van zou zijn.
Het hof verwerpt het verweer omdat de term ‘financiering’ een overkoepelend begrip is, waaronder alle in de akte opgenomen grondslagen uit hoofde waarvan de hypotheek zekerheid moest bieden, vallen.
De verdediging heeft aangevoerd dat de akte is gevestigd omdat de vrees bestond dat medeverdachte [betrokkene 1] namens [D1] BV het [project] te gelde wilde maken. Door [B2] zouden investeringen zijn gedaan waardoor het project meer waard zou zijn geworden. [B2] zou daarom een vordering hebben op [D1] ter grootte van de door [B2] gedane investeringen, c.q. de waardevermeerdering van het project. Daarom werd door partijen afgesproken dat er een recht op hypotheek gevestigd zou worden.
Het hof verwerpt dit verweer. Zoals hierboven reeds is overwogen heeft op 21 december 2010 [B1] BV het [project] voor € 200.000,-- ex BTW, bezwaard met vijf hypotheken, geleverd aan [betrokkene 10] . Deze appartementsrechten zijn vervolgens door voornoemde [betrokkene 10] op 29 december 2010 verkocht aan [D1] BV, eveneens voor € 200.000,--.
Op 31 januari 2011 ondertekenen medeverdachte [betrokkene 1] namens [D1] BV en medeverdachte [betrokkene 2] , namens [B2] BV, een hypotheekakte, opgesteld door en in bijzijn van verdachte, ten behoeve van het recht van eerste hypotheek en eerste pand op het [project] . Vervolgens wordt 15 minuten later door medeverdachte [betrokkene 1] namens [D1] BV en [B1] BV, vertegenwoordigd door [betrokkene 3] een leveringsakte, opgesteld door en in het bijzijn van verdachte getekend, waarmee het [project] voor € 200.000,-- door [D1] BV aan [B1] BV wordt verkocht, nu bezwaard met zes hypotheken. Het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat er vrees bestond dat [D1] BV in de 15 minuten tussen het passeren van de akte van hypotheek en de akte van levering aan Vastgoed een waardevermeerdering te gelde zou maken en dat een hypotheek is gevestigd om dat te voorkomen.
Het hof concludeert dat verdachte als notaris opzettelijk de authentieke akte valselijk heeft opgemaakt.
Voor een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en (een) ander(en) bij het opnemen van genoemde valsheid in de notariële akte, ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten in het dossier. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het hem onder 4 ten laste gelegde voor zover dat een samenwerking met (een) ander(en) betreft.”