Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2021:983

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juni 2021
Publicatiedatum
22 juni 2021
Zaaknummer
20/00868
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 302 lid 1 SrArt. 26 lid 1 WWMArt. 6 EVRMArt. 423 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep

Op 18 september 2017 vond een schietpartij plaats op het Ambachtsplein in Rotterdam-Zevenkamp waarbij de verdachte werd veroordeeld voor poging doodslag, poging zware mishandeling en het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen. In hoger beroep werd een gevangenisstraf van zes jaren opgelegd. De verdediging stelde dat er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, aangezien het hof bijna twee jaar deed over het wijzen van het arrest.

Het hof constateerde inderdaad een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met ongeveer zeven maanden, maar vond dat dit kon worden volstaan met een constatering omdat de totale duur van de berechting in eerste en tweede aanleg binnen de redelijke termijn was gebleven. De Hoge Raad oordeelde dat deze motivering onvoldoende was, omdat een overschrijding van zeven maanden niet als beperkt kan worden beschouwd.

De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het hofarrest dat betrekking had op de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf van zes jaren naar vijf jaar en negen maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het belang van een zorgvuldige motivering bij overschrijding van redelijke termijnen en de mogelijke gevolgen daarvan voor de strafoplegging.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van zes jaren naar vijf jaren en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/00868
Datum22 juni 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 maart 2020, nummer 22-001414-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep geen aanleiding geeft tot strafvermindering en kan worden volstaan met de constatering daarvan.
3.2
In de bestreden uitspraak heeft het hof met betrekking tot de berechting binnen een redelijke termijn het volgende overwogen:
“Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het hof bij een eventuele strafoplegging rekening dient te houden met een overschrijding van' de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, nu het vonnis waarvan beroep dateert van 27 maart 2018 en het hof op 3 maart 2020 eindarrest zal wijzen, waardoor in hoger beroep bijna twee jaar is verstreken. Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu er tussen het instellen van het hoger beroep op 30 maart 2018 en het wijzen van dit arrest op 3 maart 2020 een periode van meer dan 16 maanden is gelegen. Het hof volstaat met de constatering daarvan, nu de totale duur van de berechting in eerste en tweede aanleg heeft plaats gevonden binnen de daartoe gestelde (redelijke) termijn.”
3.3
Het hof heeft geoordeeld dat “de totale duur van de berechting in eerste en tweede aanleg heeft plaats gevonden binnen de daartoe gestelde (redelijke) termijn” zodat kan worden volstaan met het constateren van die overschrijding.
3.4.1
Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft plaatsgevonden, moeten het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van het hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, moet de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep telkens binnen 16 maanden worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Indien wordt geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep is overschreden, wordt die overschrijding in de regel gecompenseerd door strafvermindering. Maar het staat de rechter vrij – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. Voor het volstaan met dat oordeel kan onder meer aanleiding bestaan als sprake is van een beperkte overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep, en de berechting in feitelijke aanleg – dat wil zeggen: in eerste aanleg én in hoger beroep – is afgerond binnen het totaal van de voor elk van die procesfasen geldende termijnen. (Vgl. HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:197.)
3.4.2
Het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat in deze zaak de einduitspraak binnen 16 maanden moest zijn gevolgd en dat in hoger beroep deze termijn met ongeveer 7 maanden is overschreden. Gelet daarop is het oordeel van het hof dat kon worden volstaan met de constatering van deze overschrijding, niet toereikend gemotiveerd, nu een dergelijke overschrijding niet onder de hiervoor onder 3.4.1 bedoelde ‘beperkte overschrijding’ valt.
3.5.
Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren te verminderen. De door het hof op de voet van artikel 423 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering bepaalde gevangenisstraf van vier maanden wordt niet verminderd.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en negen maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 juni 2021.