Uitspraak
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet ontvankelijk worden verklaard.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het beroep in cassatie van A.F.M.J. Verhoeven tegen het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De griffier van de Hoge Raad had de indiener bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld.
Ondanks ontvangst van deze brief werd het griffierecht niet betaald. De griffier plaatste daarop een bericht in het digitale dossier en stuurde een notificatie per e-mail, waarmee de indiener in de gelegenheid werd gesteld om een verklaring te geven voor het niet betalen van het griffierecht.
De indiener maakte geen gebruik van deze mogelijkheid. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd op 8 juli 2022 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.