Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
8 juli 2022.
Hoge Raad
In deze civiele zaak vordert eiser schadevergoeding wegens onrechtmatige daad van verweerster, waarbij de vordering oorspronkelijk toekwam aan een vennootschap ([A] B.V.) en later aan eiser privé is overgedragen via cessie.
De rechtbank en het hof wezen de vordering af omdat eiser privé geen partij was bij de oorspronkelijke vordering van [A] B.V. en het hof oordeelde dat een nieuwe vordering via cessie in hoger beroep niet is toegestaan.
De Hoge Raad stelt dat een partij in hoger beroep haar eis of de gronden daarvan mag wijzigen of uitbreiden binnen de grenzen van art. 130 lid 1 en Pro art. 353 lid 1 Rv Pro, en dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat cessie in hoger beroep niet toelaatbaar is.
Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Tevens wordt verweerster veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.