Conclusie
1.De feiten
hof).
[eiser]) is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V. (hierna:
[A]).
[betrokkene 1]) is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [B] B.V. (hierna:
[B]).
[C]).
[betrokkene 2]) zijn vennoten in [D] vof (hierna:
[D]).
[verweerster]).
Rabobank).
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank), in incident, zakelijk weergegeven, toegestaan dat [D] , [C] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] worden gedagvaard tegen de terechtzitting van 14 augustus 2013 en in de hoofdzaak bepaald dat de zaak op de rol van 14 augustus 2013 zal komen voor conclusie van antwoord.
primair: de gedaagden in vrijwaring hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] datgene te betalen waartoe hij als gedaagde in de hoofdzaak, al dan niet hoofdelijk, mocht worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, te rekenen vanaf dezelfde dag als waartoe [eiser] volgens de rechtbank in de hoofdzaak gehouden is, en met inbegrip van de kostenveroordeling;
subsidiair: (i) [D] , [C] en [betrokkene 2] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] te betalen 1/3e deel van het bedrag waartoe hij als gedaagde in de hoofdzaak, al dan niet hoofdelijk, mocht worden veroordeeld, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, te rekenen vanaf dezelfde dag als waartoe [eiser] volgens de rechtbank in de hoofdzaak gehouden is, en met inbegrip van de kostenveroordeling, en (ii) [betrokkene 1] te veroordelen om aan [eiser] te betalen de helft van datgene waartoe hij als gedaagde in de hoofdzaak, al dan niet hoofdelijk, mocht worden veroordeeld, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, te rekenen vanaf dezelfde dag als waartoe [eiser] volgens de rechtbank in de hoofdzaak gehouden is, en met inbegrip van de kostenveroordeling;
primair en subsidiair: gedaagden in vrijwaring hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
vonnis), zakelijk weergegeven, in de hoofdzaak:
in conventie: (i) [betrokkene 2] veroordeeld om aan [verweerster] een bedrag van € 793.253,01 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 8 januari 2013 tot de dag van volledige betaling, (ii) [betrokkene 2] veroordeeld in de jegens hem gevallen beslagkosten, (iii) [betrokkene 2] veroordeeld in de jegens hem gevallen kosten in de hoofdzaak, (iv) [verweerster] veroordeeld in de kosten van de hoofdzaak tegen [eiser] , en (v) het meer of anders gevorderde afgewezen;
in reconventie: (i) de vorderingen afgewezen en (ii) [eiser] veroordeeld in de kosten van de reconventie, aan de zijde van [verweerster] tot dan begroot op nihil.
tussenarrest) en daarin, zakelijk weergegeven, wat betreft het incidenteel hoger beroep in het geschil tussen [eiser] en [verweerster] :
arrest) heeft het hof in principaal hoger beroep, in het geschil tussen Rabobank en [eiser] , zakelijk weergegeven, verstaan dat de zaak in principaal hoger beroep op de rol van die datum zal worden doorgehaald.
8. Het verloop van de procedure
(…)
10. De verdere beoordeling in incidenteel hoger beroep
[eiser] privé is bestuurder/enig aandeelhouder van [A] B.V.. Toentertijd waren (het thans niet meer bestaande) [B] B.V. en [E] B.V. de bestuurders/aandeelhouders van [verweerster] . [betrokkene 1] was de bestuurder/enig aandeelhouder van [B] B.V.. [B] B.V. was eveneens bestuurder/enig aandeelhouder van [C] B.V.. [C] B.V. was samen met [A] B.V. (en [betrokkene 2] ) vennoot (ieder voor 1/3 deel) van [D] vof.
Daarmee is het hierboven gesignaleerde probleem evenwel niet opgelost.
In deze procedure is door de rechtbank niet beslist over een vordering van [A] B.V., maar over een (reconventionele) vordering van [eiser] privé. In hoger beroep zijn aan het hof met de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep slechts grieven voorgelegd over dat oordeel. Een vordering van een (rechts)persoon die niet als partij in dit geding betrokken is en waarover in eerste aanleg dus niet is geoordeeld, kan niet door middel van een akte van cessie alsnog ter beoordeling in hoger beroep aan het hof worden voorgelegd. Op die manier zou anders in feite een nieuwe vordering van een niet in het geding betrokken partij via zo’n akte van cessie in hoger beroep voor het eerst in het geding kunnen worden gebracht, hetgeen geen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegestane wijze van procederen is.
De gestelde onrechtmatige daden zijn volgens [eiser] verricht door [betrokkene 1] . Hij heeft volgens [eiser] [verweerster] het materieel en het klantenbestand van [D] vof laten gebruiken en hij heeft bewust de situatie gecreëerd, waardoor Rabobank ging executeren. [verweerster] heeft geprofiteerd van het onrechtmatig handelen van [betrokkene 1] , en daardoor heeft [verweerster] zelfstandig en rechtstreeks jegens [eiser] c.q. [A] B.V. onrechtmatig gehandeld, aldus [eiser] .
3.Bespreking van het cassatiemiddel
In rov. 8 van het arrest zet het hof het verloop van de procedure in hoger beroep uiteen, daarbij aanvangend met het tussenarrest en daarna de daaropvolgende gang van zaken weergevend, uitmondend in de vaststellingen dat het hof daarna (na het daar bedoelde pleidooi in principaal en incidenteel hoger beroep) een datum voor arrest heeft bepaald en:
[A]-vordering) bij de akten van 29 december 2017 en 3 december 2020 (en de mededeling daarvan in deze procedure) aan [eiser] privé heeft overgedragen;
privé-vordering); [15]
Ik wend mij nu tot het subonderdeel, dat uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag mist, waarop het vastloopt. Zoals volgt uit het voorgaande, en anders dan het subonderdeel veronderstelt, oordeelt het hof - ook in rov. 10.3.1-10.4.3 en 10.5.2 van het arrest - immers
nietdat een procespartij (hier [eiser] ) jegens de wederpartij (hier [verweerster] ) niet op eigen naam een vorderingsrecht van een derde (hier [A] ) op die wederpartij geldend kan maken dat deze procespartij krachtens cessie van die derde (cedent) verkrijgt, en miskent het hof het tegendeel - in de woorden van het subonderdeel: “dat een procespartij jegens haar wederpartij op eigen naam een vorderingsrecht van een derde op die wederpartij geldend kan maken dat zij krachtens cessie van die derde (cedent) verkrijgt” - dus evenmin. Daarmee valt de bodem weg onder het subonderdeel: het veronderstelt - ook in het vervolg, voortbouwend op het voorgaande - een rechtsopvatting van het hof in het arrest die het hof in werkelijkheid daarin niet huldigt. ’s Hofs bestreden oordeel scharniert in werkelijkheid om een wezenlijk ander punt, dat scherp onderscheiden moet worden. Want waar dat oordeel op neerkomt, is dus dat niet door [eiser] met zijn memorie van grieven in incidenteel hoger beroep (ook) de [A] -vordering als eigenstandige schadevergoedingsvordering van hem (dus van [eiser] zelf) [20] , [21] aan het incidentele hoger beroep ten grondslag is gelegd en daarmee in hoger beroep in het geding is gebracht, [22] alsmede dat aan dit laatste de in rov. 10.4.3, eerste zin en 10.5.1, tweede zin van het arrest bedoelde cessie niet afdoet, nu de [A] -vordering niet langs enkel die weg (“door middel van een akte van cessie”, “via zo’n akte van cessie”) alsnog in hoger beroep ter beoordeling aan het hof kan worden voorgelegd, daar dit geen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegestane wijze van procederen is.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Waar het subonderdeel verwijst naar “het hiervoor onder 1.0 sub (iii) weergegeven oordeel” van het hof, doelt het op rov. 10.4.3, derde alinea, eerste twee zinnen van het arrest, dus:
(…)
In deze procedure is door de rechtbank niet beslist over een vordering van [A] B.V., maar over een (reconventionele) vordering van [eiser] privé. In hoger beroep zijn aan het hof met de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep slechts grieven voorgelegd over dat oordeel. (…).”
Voor zover het subonderdeel uitgaat van een juiste lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag heeft, want veronderstelt dat het hof in het bestreden oordeel (“het hiervoor onder 1.0 sub (iii) weergegeven oordeel”) overweegt dat niet door [eiser] met zijn memorie van grieven in incidenteel hoger beroep (ook) de [A] -vordering als eigenstandige schadevergoedingsvordering van hem (dus van [eiser] zelf) [25] aan het incidentele hoger beroep ten grondslag is gelegd en daarmee in hoger beroep in het geding is gebracht (oftewel ter beoordeling aan het hof is voorgelegd), [26] strandt de motiveringsklacht in het subonderdeel nu hetgeen het subonderdeel aanvoert nog niet maakt dat dit bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk is gemotiveerd.
Anders dan het subonderdeel veronderstelt, oordeelt het hof - ook in rov. 10.4.3 van het arrest - niet dat in hoger beroep enkel de juistheid van het oordeel van de rechtbank voorligt, daarmee eraan voorbijgaand dat het hoger beroep een volledige herkansing biedt en partijen in hoger beroep (daarom) ook andere grondslagen aan hun vordering ten grondslag mogen leggen of hun eis mogen wijzigen of vermeerderen. Van een dergelijke miskenning door het hof is geen sprake. Wat het hof wel oordeelt, in het bijzonder in rov. 10.4.3 van het arrest zoals bestreden door het subonderdeel, zette ik uiteen onder 3.4 hiervoor en moet scherp worden onderscheiden van die (onjuiste) veronderstelling van het subonderdeel. Aldus gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het daarmee feitelijke grondslag. Wat het subonderdeel in de voorlaatste zin en slotzin nog aanvoert onder verwijzing naar wat [eiser] ook in eerste aanleg zou hebben gesteld, en voor zover dit al een zelfstandige klacht zou bevatten die niet reeds deelt in het lot van de zo-even behandelde rechtsklacht in het subonderdeel (wat mij niet het geval lijkt), maakt het voorgaande niet anders (het subonderdeel blijft daar feitelijke grondslag missen, want het hof ziet daaraan niet voorbij; zie bijvoorbeeld ook rov. 10.2.2 en 10.4.1 van het arrest) en brengt naar de aard evenmin mee dat ’s hofs bestreden oordeel in rov. 10.4.3, derde alinea, eerste twee zinnen van het arrest alsnog blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk gemotiveerd zou zijn, wat het subonderdeel overigens ook niet verder uitwerkt. [31] Zie ook onder 3.4 en 3.6 hiervoor.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Van de door het subonderdeel veronderstelde onbegrijpelijkheid van ’s hofs oordeel in rov. 10.4.3 van het arrest is reeds geen sprake, nu, naar de kern genomen, het hof ten aanzien van het principaal hoger beroep van (aanvankelijk [verweerster] , uiteindelijk) Rabobank in onder meer het tussenarrest en rov. 9 van het arrest wel ervan is uitgegaan dat de in het subonderdeel bedoelde vordering van (uiteindelijk) Rabobank daaraan op door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegelaten wijze ten grondslag is gelegd (waaraan niet afdoet dat die vordering gedurende het hoger beroep door [verweerster] is teruggecedeerd, noch dat na de hervatting van de zaak Rabobank daarin heeft voortgeprocedeerd), waar het hof ten aanzien van het incidenteel hoger beroep van [eiser] ook in het arrest niet ervan is uitgegaan dat (ook) de [A] -vordering daaraan op door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegelaten wijze ten grondslag is gelegd (waaraan niet afdoet dat de [A] -vordering gedurende het hoger beroep door [A] is gecedeerd aan [eiser] in privé), dit laatste om de redenen uiteengezet in rov. 10.4.3 van het arrest, waarover onder 3.4 hiervoor. De innerlijke tegenstrijdigheid die het subonderdeel in ’s hofs oordeel ter zake meent te bespeuren (onder verwijzing ook naar “diezelfde constructie”, etc.), [34] doet zich in werkelijkheid dus niet voor.
Hierop stuit het subonderdeel af.