De Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (VbV) stelde een handelaar aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit de diefstal van auto's waarvan onderdelen bij de handelaar werden aangetroffen. VbV ging in hoger beroep en stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten tegen het arrest van het hof niet leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven, omdat het niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarnaast wees de Hoge Raad erop dat de bijlage bij de reactie van VbV, een brief van het Verbond van Verzekeraars, niet in behandeling wordt genomen omdat aanvulling van stukken bij de reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal in principe niet is toegestaan.
Het beroep van VbV werd verworpen en zij werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, die aan de zijde van de wederpartij nihil werden begroot.
Het arrest is gewezen door de raadsheren Lock (voorzitter), Makkink en Teuben en in het openbaar uitgesproken door Wattendorff op 15 juli 2022.