Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:1127

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2022
Publicatiedatum
1 september 2022
Zaaknummer
21/03464
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 24 lid 1 aanhef en letter d ten tweede RVV 1990Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffing parkeerbelasting bij opladen elektrische auto zonder stroomafname

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn hybride auto op een parkeerplaats met laadpaal stond zonder dat de parkeerbelasting was voldaan. De plek was voorzien van een verkeersbord dat aangeeft dat parkeren uitsluitend is toegestaan voor het opladen van elektrische voertuigen.

Het Hof Den Haag oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was omdat de auto was aangesloten op de laadpaal en het doel van het parkeren het opladen van de accu was, ondanks dat op het moment van controle geen stroom werd afgenomen.

In cassatie betoogde belanghebbende dat de parkeerbelasting niet verschuldigd was omdat de auto geen stroom afnam en hij daarmee in strijd met het RVV op een verboden plek stond. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat het feit dat de accu niet werd opgeladen niet betekent dat de auto met een ander doel stond geparkeerd dan het opladen.

De Hoge Raad stelde dat de heffingsambtenaar niet verplicht is nader onderzoek te doen naar het doel van het parkeren als de auto is aangesloten. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/03464
Datum2 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 juli 2021, nr. BK-21/00173 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 20/209) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd omdat zijn hybride auto op 16 augustus 2019 stond op een aangewezen plaats voor betaald parkeren, terwijl de parkeerbelasting niet was voldaan.
2.2
De parkeerplek was voorzien van een laadpaal voor elektrische voertuigen, van het verkeersbord E4 [2] als bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV) en van een onderbord met de tekst ‘opladen elektrische voertuigen’.
2.3
Op het moment van controle was de auto van belanghebbende aangesloten op de laadpaal zonder dat stroom werd afgenomen.
2.4.1
Het Hof heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
2.4.2
Het Hof heeft vastgesteld dat op foto’s zichtbaar was dat de auto was aangesloten op de laadpaal, en voorts dat belanghebbende heeft verklaard zijn lege accu te willen opladen. Op grond hiervan heeft het Hof geoordeeld dat de auto zodanig was geparkeerd dat de accu kon opladen en dat dit ook het doel van het parkeren was, zodat de auto niet stond geparkeerd in strijd met een wettelijk voorschrift.

3.Beoordeling van de middelen

3.1
Het tweede middel komt op tegen het hiervoor in onderdeel 2.4.2 weergegeven oordeel van het Hof en betoogt dat aan het naheffen van parkeerbelasting in de weg staat dat de auto van belanghebbende geen stroom afnam en de auto daarom op een voor parkeren verboden plek stond als bedoeld in artikel 24, lid 1, aanhef en letter d, ten tweede, van het RVV.
3.2
Artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet bepaalt – kort gezegd – dat onder parkeren in de zin van die wet wordt verstaan het doen of laten staan van een voertuig op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Volgens artikel 24, lid 1, aanhef en letter d, ten tweede, van het RVV mag de bestuurder zijn voertuig niet parkeren op een parkeergelegenheid op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven.
3.3.1
Belanghebbende had zijn auto aangesloten op de laadpaal bij de parkeerplaats, maar op het moment van de controle werd de accu van zijn auto niet of niet meer opgeladen. Daardoor rijst de vraag of er nog wel parkeerbelasting door hem verschuldigd was. Want als geconcludeerd zou worden dat belanghebbende artikel 24, lid 1, aanhef en letter d, ten tweede, van het RVV heeft overtreden, dan stond zijn auto op dat moment op een plaats waar dit ingevolge een wettelijk voorschrift verboden is, en had op grond van artikel 225 van Pro de Gemeentewet geen parkeerbelasting van hem mogen worden nageheven.
3.3.2
Die vraag heeft het Hof terecht ontkennend beantwoord. Het middel dat zich tegen dit oordeel keert, faalt. De omstandigheid dat de accu van een elektrische auto die is aangesloten op een laadpaal op enig moment niet of niet meer wordt opgeladen, dwingt, anders dan het middel veronderstelt, niet tot de gevolgtrekking dat de auto op de desbetreffende parkeerplaats is geparkeerd met een ander doel dan het opladen van de accu van die auto. De heffingsambtenaar is in een dergelijk geval niet gehouden nader onderzoek te doen naar het doel waarmee de auto is geparkeerd.
3.4
Het eerste middel kan evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2022.

Voetnoten

2.Het vierkante blauwe bord met een witte P weergegeven in bijlage 1 bij het RVV.