Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
20 september 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een beklag ex artikel 552a Sv over de vordering en verstrekking van klantdossiers door een derde partij in een strafrechtelijk onderzoek naar frauduleuze belastingconstructies. In deze dossiers bevond zich correspondentie tussen advocaten (klagers) en hun cliënt, een belastingadviseur, die valt onder het verschoningsrecht van artikel 218 Sv Pro.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de klagers niet-ontvankelijk omdat de gegevens reeds zouden zijn vernietigd door middel van 'uitgrijzen' (privilegeren), waardoor de gegevens ontoegankelijk zouden zijn voor de opsporing. De klagers voerden aan dat deze methode niet gelijkstaat aan daadwerkelijke vernietiging zoals voorgeschreven in artikel 126aa Sv en het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken, omdat de gegevens technisch weer toegankelijk kunnen worden gemaakt.
De Hoge Raad herhaalt het doel van artikel 126aa Sv, namelijk de bescherming van het verschoningsrecht en het voorkomen dat dergelijke gegevens deel uitmaken van het strafproces. De Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat de toegepaste methode van 'uitgrijzen' daadwerkelijk waarborgt dat de gegevens voor niemand toegankelijk zijn binnen het opsporingsonderzoek. De mogelijkheid dat gegevens opnieuw toegankelijk kunnen worden gemaakt, zonder nadere waarborgen, is onvoldoende onderzocht.
Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank en wijst de zaak terug voor een nieuwe behandeling. De beslissing benadrukt het belang van een zorgvuldige waarborging van het verschoningsrecht en de juiste toepassing van vernietigingsregels bij digitale gegevens.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering over de vernietiging van verschoningsgerechtigde gegevens.