ECLI:NL:HR:2022:1283
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid verzet wegens verkeerde naam zonder belangentekortkoming
Belanghebbende stelde beroep in tegen een uitspraak op bezwaar over de vergoeding van proceskosten in een belastingzaak. In het daaropvolgende verzet werd abusievelijk een verkeerde naam gebruikt in het verzetschrift. De Rechtbank verklaarde het verzet niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang bij degene die het verzet had ingesteld onder de verkeerde naam.
De Hoge Raad oordeelde dat ondanks de verkeerde naam het verzet wel degelijk door de gemachtigde van belanghebbende was ingesteld. De brieven van de Rechtbank aan beide partijen bevestigden dat het verzet namens belanghebbende was ingediend. De heffingsambtenaar had geen aanleiding om te twijfelen over de vertegenwoordiging.
Desondanks leidt deze onjuiste naamgeving niet tot vernietiging van de uitspraak omdat het verzet alleen tot ongegrondverklaring had kunnen leiden. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Het arrest bevestigt dat een formele fout in de naamstelling in het verzetschrift niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid als er geen sprake is van een gebrek aan belang of verwarring over de vertegenwoordiging.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het verzet blijft niet-ontvankelijk wegens verkeerde naam zonder belangentekortkoming.