ECLI:NL:HR:2022:1326

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2022
Publicatiedatum
27 september 2022
Zaaknummer
19/05299
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet ontvankelijk wegens ontbreken cassatiemiddelen

In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter zijn namens de verdachte geen cassatiemiddelen ingediend binnen de door de wet voorgeschreven termijn. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad heeft vervolgens het beroep niet in behandeling genomen en verklaard niet ontvankelijk. Hiermee is het arrest van het gerechtshof ongewijzigd gebleven.

Het procesverloop toont dat de verdachte wel een beroep heeft ingesteld, maar de formele vereiste van het indienen van cassatiemiddelen is niet nageleefd. Artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering schrijft deze verplichting voor. De Hoge Raad benadrukt het belang van deze procedurele eis om de ontvankelijkheid van een cassatieberoep te waarborgen.

De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, en is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting. Het arrest bevestigt de strikte naleving van procesregels in cassatiezaken en sluit de mogelijkheid tot inhoudelijke behandeling uit bij het ontbreken van cassatiemiddelen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van verdachte wordt niet ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/05299
Datum27 september 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2019, nummer 21-002185-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 september 2022.