ECLI:NL:PHR:2022:493

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
19 mei 2022
Zaaknummer
19/05299
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 lid 1 Wet wapens en munitieArt. 31 lid 1 Wet wapens en munitieArt. 14 lid 1 Wet wapens en munitieArt. 2 onder C OpiumwetArt. 3 onder C Opiumwet
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen van cassatie

De verdachte is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens diverse strafbare feiten, waaronder het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie en de Opiumwet. Tegen dit arrest heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.

De Procureur-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep omdat hij niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman schriftelijke middelen van cassatie heeft ingediend. Dit is vereist op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling zal nemen en de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren. Er wordt tevens vermeld dat er samenhang bestaat met een andere zaak, waarin ook een conclusie zal worden gegeven.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet tijdig indienen van schriftelijke middelen van cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05299
Zitting28 juni 2022

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 21 november 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens het in de zaak met parketnummer 16-660544-16 onder 1. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, het in de zaak met parketnummer 16-660544-16 onder 2. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en van het in strijd met de wet verhandelen van wapens of munitie een beroep of gewoonte maken”, het in de zaak met parketnummer 16-660544-16 onder 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, het in de zaak met parketnummer 16-659593-17 onder 1. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en van het in strijd met de wet verhandelen van wapens of munitie een beroep of gewoonte maken”, het in de zaak met parketnummer 16-659593-17 onder 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” en het in de zaak met parketnummer 16-659593-17 onder 3. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaak 19/05487. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge artikel 437 lid 2 Sv Pro niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG