Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
4 oktober 2022.
Hoge Raad
In deze zaak was de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor gewoontewitwassen van geldbedragen en onroerende en roerende zaken, gepleegd tussen 1 januari 2013 en 12 juli 2016. Het geschil betrof de vraag of het hof toepassing mocht geven aan de gewijzigde strafbepaling van artikel 420ter Sr, die sinds 1 januari 2015 een verhoogd strafmaximum van acht jaren kent, of dat het oude strafmaximum van zes jaren van toepassing was.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof onjuist had gehandeld door de gewijzigde strafbepaling toe te passen op feiten die deels vóór de wetswijziging waren gepleegd. Daarnaast klaagde hij over een overschrijding van de redelijke termijn in cassatie vanwege te late toezending van stukken door het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging konden leiden en dat het hof terecht het hogere strafmaximum toepaste. Tevens werd geoordeeld dat de overschrijding van de inzendtermijn werd gecompenseerd doordat de Hoge Raad de zaak binnen zestien maanden afhandelde, zodat geen sprake was van een schending van het recht op een redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro.
Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toepassing van het hogere strafmaximum in de gewoontewitwaszaak.