Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
4 oktober 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne en medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de bewijsklacht omtrent medeplegen van vervoeren en de overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad beoordeelde de klachten over het bewijs en oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, mede doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en het cassatieberoep meer dan zestien maanden duurde terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze van 65 naar 63 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 65 naar 63 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.