Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
als verklaring van [betrokkene 1]
3.Beslissing
4 oktober 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting door zich valselijk voor te doen als betalende klant in een café-restaurant en medewerkers te bewegen tot het serveren van eten en drinken zonder te betalen.
De Hoge Raad oordeelt dat het serveren van eten en drinken in een café-restaurant kwalificeert als het verlenen van een dienst zoals bedoeld in artikel 326 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Deze interpretatie wordt onderbouwd met wetsgeschiedenis, waarin expliciet is opgenomen dat het bewegen tot het verlenen van een dienst strafbaar is gesteld om lacunes in de strafbaarheid van oplichting te voorkomen.
Het cassatiemiddel, dat stelde dat het serveren van eten en drinken slechts de afgifte van een goed zou betreffen en daarmee niet onder het verlenen van een dienst valt, wordt verworpen. De Hoge Raad bevestigt dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en geen onjuiste rechtsopvatting bevat.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van de verdachte en handhaaft het arrest van het gerechtshof. De uitspraak benadrukt de reikwijdte van artikel 326 Sr Pro en sluit aan bij de wetsgeschiedenis die het verlenen van diensten expliciet strafbaar stelt in het kader van oplichting.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het serveren van eten en drinken in een café-restaurant valt onder het verlenen van een dienst in de zin van oplichting.