ECLI:NL:HR:2022:1400

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2022
Publicatiedatum
6 oktober 2022
Zaaknummer
20/02096
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelarrest Hoge Raad over vervallen rentetermijnen in belastingzaak

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 7 oktober 2022 een herstelarrest gewezen ter verbetering van het arrest van 15 juli 2022. De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën en een incidenteel cassatieberoep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam.

De Hoge Raad constateerde ambtshalve dat in het eerdere arrest een kennelijke misslag was geslopen in de weergave van het betoog van middel IV. In het oorspronkelijke arrest werd gesteld dat het betoog inhield dat niet vaststond of zo goed als zeker was dat de vervallen rentetermijnen niet zouden worden betaald, terwijl uit het beroepschrift bleek dat juist werd betoogd dat dit wel vaststond of zo goed als zeker was.

De Hoge Raad heeft deze misslag gecorrigeerd door de betreffende passage in het arrest aan te passen, waardoor de juiste weergave van het betoog is hersteld. Het herstelarrest bevestigt daarmee de zorgvuldigheid van de Hoge Raad in het waarborgen van correcte processtukken en rechtsoverwegingen.

Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2022.

Uitkomst: De Hoge Raad herstelt ambtshalve een kennelijke misslag in het arrest van 15 juli 2022 over de beoordeling van het vaststaan van niet-betaling van vervallen rentetermijnen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/02096
Datum7 oktober 2022
HERSTELARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
ter verbetering van het arrest van de Hoge Raad van 15 juli 2022, nr. 20/02096, ECLI:NL:HR:2022:1086, gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 mei 2020, nr. 18/00727 [1] .

1.Het arrest in het geding

1.1
De Hoge Raad heeft in deze zaak op 15 juli 2022 arrest gewezen. Nadien heeft de Hoge Raad ambtshalve geconstateerd dat het arrest een misslag bevat die redelijkerwijs voor partijen kenbaar was, en die verbetering behoeft.
1.2
In rechtsoverweging 4.3, tweede alinea, eerste volzin, van het arrest van 15 juli 2022 heeft de Hoge Raad het betoog van middel IV als volgt weergegeven:
“Voor zover het middel betoogt dat op de vervaldata niet vaststond of zo goed als zeker was dat de vervallen rentetermijnen geheel of ten dele niet zouden worden betaald, kan het niet tot cassatie leiden, alleen al omdat de Inspecteur dit in hoger beroep niet heeft gesteld.”
Deze weergave berust op een kennelijke misslag, omdat het betoog van middel IV blijkens het beroepschrift in cassatie inhield dat op de vervaldata wel vaststond of zo goed als zeker was dat de vervallen rentetermijnen geheel of ten dele niet zouden worden betaald. Deze misslag zal de Hoge Raad herstellen.
1.3
Rechtsoverweging 4.3, tweede alinea, eerste volzin, van het arrest van 15 juli 2022 wordt gewijzigd als volgt:
“Voor zover het middel betoogt dat op de vervaldata vaststond of zo goed als zeker was dat de vervallen rentetermijnen geheel of ten dele niet zouden worden betaald, kan het niet tot cassatie leiden, alleen al omdat de Inspecteur dit in hoger beroep niet heeft gesteld.”

2.Beslissing

De Hoge Raad verbetert het arrest van 15 juli 2022, nr. 20/02096, op de hiervoor in rechtsoverweging 1.3 vermelde wijze.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2022.