Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 oktober 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor meermalen gepleegde belaging van zijn ex-partner, huisvredebreuk en het opzettelijk in strijd handelen met een opgelegde gedragsaanwijzing. De benadeelde partij vorderde vergoeding van immateriële schade wegens aantasting van haar persoon.
Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte eerder veroordeeld en erkende dat de benadeelde partij immateriële schade had geleden als gevolg van de bewezenverklaarde feiten, met name de belaging. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad benadrukte dat het niet nodig was om de motivering van het hof nader toe te lichten, omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Daarmee bevestigde de Hoge Raad dat immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW Pro passend is bij bewezenverklaarde belaging.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, waarna het beroep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling en immateriële schadevergoeding wegens belaging.