Conclusie
Nummer21/02168
Bespreking van het eerste middel
eerstemiddel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde 'met het oogmerk die [aangeefster] en [aangever] (...) en/of vrees aan te jagen' niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de bewezenverklaring op dit punt onvoldoende met redenen is omkleed.
Vrees
oogmerkvan de dader is gericht op zo’n doen, niet-doen, dulden of het ontstaan van zo’n emotie. Of het beoogde slachtoffer daardoor tot iets is bewogen, is strafrechtelijk niet relevant. Al maakt dat de bewijsvoering wel eenvoudiger.
dezeconcrete persoon zich niet daadwerkelijk bedreigd. Dat kan bijvoorbeeld zijn oorzaak vinden in het feit dat hij of zij meer kennis heeft over de bedreiger. Hij of zij kan weten dat de belager nog geen deuk in een pakje boter kan slaan. Ieder ander, die deze kennis over de belager niet heeft, zou zich echter wel bedreigd voelen.
kennishebben gedragen van de inhoud van de bedreiging. Daarom is in de delictsomschrijving niet het objectieve effect van de gedraging centraal gesteld, maar de intentie van de dader.’
Vrees
Bespreking van het tweede middel
tweedemiddel bevat de klacht dat de beslissing van het hof tot (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen voor wat betreft immateriële schade, de onderbouwde betwisting van die vorderingen namens de verdachte mede in aanmerking genomen, ontoereikend is gemotiveerd.
Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding
‘VORDERING BENADEELDE PARTIJ [aangeefster]
VORDERING BENADEELDE PARTIJ [aangever]
Strafmotivering
NJ2021/68 betoogd dat de categorie aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ buiten gevallen van geestelijk letsel ‘invulling, en juist vanwege haar open karakter ook aanwijzingen daarvoor behoeft’ (randnummer 4). De rechter moet, zo meent hij, uiteenzetten ‘waaruit de aard en ernst van de normschending in het concrete geval bestaan en in beginsel ook welke concrete gevolgen die normschending voor de benadeelde heeft gehad’ (randnummer 11). Dat bij ‘ernstige en langdurige belaging’ en ‘ernstige bedreiging’ ook als zij niet resulteren in objectiveerbaar geestelijk letsel van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake kan zijn, lijkt Lindenbergh ‘juist, omdat het daarbij niet alleen gaat om zeer ernstige normschendingen, maar ook omdat die direct tegen een persoon zijn gericht’ en het ‘algemeen erkende traumatische gebeurtenissen’ zijn. Daarmee zou evenwel niet gezegd zijn ‘dat iedere bedreiging of belaging telkens een aanspraak op smartengeld rechtvaardigt’. Uit de geannoteerde uitspraken zou zijn af te leiden ‘dat aantasting van de persoonlijke levenssfeer door belaging of bedreiging zonder dat (vaststaat dat) de persoon in kwestie daarbij aanwezig was en bedreigd werd, niet kwalificeert als persoonsaantasting’.