De zaak betreft de uitleg van de Detacheringsrichtlijn (Richtlijn 96/71/EG) in de context van internationaal wegvervoer en de toepasselijkheid van collectieve arbeidsovereenkomsten (cao's). De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het HvJEU over de reikwijdte van de richtlijn voor chauffeurs die in meerdere lidstaten werken, de betekenis van het begrip 'ter beschikking gesteld op het grondgebied van een lidstaat' en de uitleg van het begrip 'algemeen verbindend verklaarde cao'.
Het HvJEU oordeelde dat de Detacheringsrichtlijn ook van toepassing is op transnationale dienstverrichtingen in het internationaal wegvervoer. Of een werknemer ter beschikking is gesteld op het grondgebied van een lidstaat hangt af van een algehele beoordeling van factoren die een nauwe band met dat grondgebied aantonen, en niet louter van overwegende werkzaamheden daar. Cabotagevervoer valt in beginsel ook onder de richtlijn, ongeacht de duur ervan. Verder moet de vraag of een cao algemeen verbindend is verklaard worden beoordeeld aan de hand van nationaal recht, waarbij een niet algemeen verbindend verklaarde cao die gelijkluidend is aan een algemeen verbindend verklaarde cao en waarvoor vrijstelling is verleend, als gelijkwaardig wordt beschouwd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof omdat het hof onjuist had geoordeeld dat werkzaamheden overwegend op het grondgebied van een lidstaat moeten plaatsvinden. De zaak is terugverwezen voor verdere behandeling waarbij partijen hun standpunten kunnen aanpassen aan de HvJEU-uitspraak. De overige klachten werden verworpen. De Hoge Raad veroordeelde de verweerders in de kosten van het cassatiegeding.