ECLI:NL:HR:2022:1483

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2022
Publicatiedatum
17 oktober 2022
Zaaknummer
21/03014
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 3.A OpiumwetArt. 3.C OpiumwetArt. 140.1 Sr
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt straf voor medeplegen invoer en bezit hennep en deelname criminele organisatie

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2021, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van invoer van hennep (art. 3.A Opiumwet), medeplegen van het aanwezig hebben van hennep (art. 3.C Opiumwet) en deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van Opiumwetdelicten (art. 140.1 Sr).

De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van verdachte beoordeeld, dat zich richtte op de strafmotivering en de redelijke termijn, en concludeert dat het hof voldoende en begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom de gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden passend is. Tevens is het oordeel van het hof dat de straf met maximaal zes maanden gematigd kan worden binnen de redelijke termijn juridisch correct.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgt dit advies zonder nadere motivering, conform art. 81 lid 1 RO Pro. Het arrest bevestigt daarmee het hofarrest en de opgelegde straf.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden voor medeplegen van hennepinvoer, bezit en deelname aan een criminele organisatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/03014
Datum1 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2021, nummer 23-004523-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 november 2022.