Conclusie
Nummer21/03014
Het middel
De rechtbank heeft de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht.De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde en met inbegrip, van het strafdeel voor feit 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 57 maanden, met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht en een geldboete van € 7.000,00.Bepaling straf feit 3 ingevolge artikel 423, vierde lid, Sv
Zoals overwogen, is het in eerste aanleg onder 3 bewezen verklaarde misdrijf niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Op grond van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, Sv dient het hof te beslissen welk gedeelte van de straf geacht moeten worden door de rechtbank te zijn opgelegd ter zake van deze overtredingen van de Wet wapens en munitie. Het hof bepaalt de straf voor deze feiten op een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.
zeker in hoger beroep – een forse overschrijding van meer dan 12 maanden. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ziet het hof in deze overschrijding aanleiding de op te leggen gevangenisstraf te matigen met de maximale termijn van zes maanden, zodat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaren en 6 maanden zal worden opgelegd.
Beoordeling van het middel
3.4 In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.
in cassatiewordt gegeven. Het hof is daaraan dus niet gebonden. De volgens het hof maximaal te geven strafvermindering van zes maanden kan dus niet op die jurisprudentie zijn gebaseerd. De Hoge Raad geeft in zijn jurisprudentie bekendheid aan de maatstaven die hij zelf toepast voor strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad geeft geen concrete richtsnoeren voor de strafvermindering toe te passen door de feitenrechter.
De omvang van de vermindering bedraagt in deze gevallen:(…)
bij een gevangenisstraf of hechtenis (…) in elk geval nooit meer dan zes maanden (…).”Dit is echter onjuist: het hof is daaraan zoals gezegd niet gebonden. [10] Dit behoeft naar mijn mening echter niet tot cassatie te leiden indien in dit concrete geval een strafvermindering van zes maanden niet onbegrijpelijk zou zijn. Daarover het volgende.
“Het betreft hierbij – zeker in hoger beroep – een forse overschrijding van meer dan 12 maanden.”Uit de gedingstukken en namens mij ingewonnen detentiegegevens maak ik op dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden met ongeveer drie maanden. Sinds het instellen van het hoger beroep op 20 december 2017 heeft de verdachte tot 1 mei 2019, dus ruim zestien maanden, in voorlopige hechtenis doorgebracht, [11] zodat naar mijn opvatting de redelijke termijn van zestien maanden geldt en deze dus met bijna 27 maanden is overschreden. [12] Dat is erg fors en zou, indien het een schending van de redelijke termijn in cassatie betreft, tot maatwerk van de Hoge Raad kunnen nopen. [13]