ECLI:NL:HR:2022:1562

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2022
Publicatiedatum
28 oktober 2022
Zaaknummer
21/02206
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 432.1.b SvArt. 449 SvArt. 450 SvArt. 451 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late indiening schriftelijke volmacht

In deze zaak heeft de betrokkene cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het cassatieberoep werd ingesteld door het indienen van een schriftelijke bijzondere volmacht via fax en e-mail op de laatste dag van de beroepstermijn.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de hand van de artikelen 449, 450 en 451 van het Wetboek van Strafvordering. Volgens deze bepalingen moet een schriftelijke volmacht die per fax of e-mail wordt ingezonden, ter griffie zijn begonnen binnen te komen vóór sluiting van de griffie op de laatste dag van de beroepstermijn.

In deze zaak bleek dat de fax om 17.25 uur en de e-mail om 17.28 uur bij de griffie binnenkwamen, terwijl de griffie om 17.00 uur sluit. Hierdoor werd aangenomen dat de volmacht pas na sluiting van de griffie was begonnen binnen te komen. De Hoge Raad verklaarde daarom het cassatieberoep niet-ontvankelijk en nam het beroep niet in behandeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de schriftelijke volmacht na sluitingstijd van de griffie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/02206 P
Datum1 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 7 mei 2021, nummer 23-003779-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft W. Römelingh, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn cassatieberoep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Volgens artikel 449 in Pro verbinding met artikel 450 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt, voor zover hier van belang, beroep in cassatie ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt of een door hem daartoe gevolmachtigde, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven, van welke verklaring ingevolge artikel 451 Sv Pro door de griffier een akte wordt opgemaakt. De mogelijkheid om door het afleggen van zo een verklaring een rechtsmiddel aan te wenden is gebonden aan de uren waarop de griffie van het gerecht ingevolge het daarop betrekking hebbende reglement geopend is of geopend behoort te zijn. Dit brengt mee dat een per fax of e-mail verzonden schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 450 Sv Pro aan een griffiemedewerker tot het voor de verdachte of betrokkene aanwenden van een rechtsmiddel slechts dan kan worden aangemerkt als binnen de beroepstermijn ingediend, indien deze volmacht ter griffie is begonnen binnen te komen vóór sluiting van de griffie op de laatste dag van deze termijn. (Vgl. HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231.)
2.2
Op de gronden die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 en 5 moet worden aangenomen dat in het onderhavige geval de hiervoor bedoelde volmacht pas - op de laatste dag van de beroepstermijn - is begonnen binnen te komen nadat de griffie (om 17.00 uur) was gesloten. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 november 2022.