Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
8 november 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die vanuit Spanje aan Nederland is overgeleverd op grond van een Europees Arrestatiebevel (EAB) wegens poging moord of doodslag. Later is een aanvullend EAB uitgevaardigd voor extra feiten, waaronder afpersing en bedreiging. De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de Spaanse autoriteiten geen toestemming hadden gegeven voor vervolging van de bedreiging en andere subsidiaire feiten.
Het hof oordeelde dat alle tenlastegelegde feiten, inclusief bedreiging, onder de feitelijke omschrijving van het EAB en het aanvullende EAB vallen en dat de Spaanse rechter toestemming had gegeven voor overlevering met betrekking tot deze feiten. Dit oordeel is gebaseerd op het wederzijds vertrouwen tussen lidstaten en jurisprudentie van de Hoge Raad en het Hof van Justitie EU over de uitleg van het specialiteitsbeginsel.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwerpt het cassatieberoep. De vervolging is ontvankelijk omdat de feiten waarvoor de verdachte wordt vervolgd niet afwijken van de feiten waarvoor de Spaanse autoriteiten toestemming hebben gegeven. Het specialiteitsbeginsel staat de vervolging niet in de weg.
De uitspraak bevestigt dat bij Europese overlevering de feitelijke omschrijving in het EAB en aanvullend EAB bepalend is voor de toegestane vervolging, en dat wijzigingen in tijd, plaats of nadere feitelijke uitwerking binnen die omschrijving zijn toegestaan.
De Hoge Raad ziet geen reden tot vernietiging en wijst het beroep af, waarmee de vervolging van de verdachte voor bedreiging en andere feiten wordt voortgezet.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; vervolging wegens bedreiging en andere feiten is ontvankelijk.