In deze zaak stond de vennootschapsbelastingaanslag over het jaar 2010 voor belanghebbende centraal, evenals de verrekening van een bedrag aan voorlopige verliesverrekening en twee beschikkingen van de Belastingdienst. De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarin het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland waren behandeld.
De Hoge Raad heeft de middelen van beide partijen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft daarbij geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Ten aanzien van de proceskosten heeft de Hoge Raad de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende in cassatie heeft moeten maken, vastgesteld op €3.036 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor het incidentele beroep is geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Het arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter en de raadsheren M.A. Fierstra en E.F. Faase, en is op 11 februari 2022 in het openbaar uitgesproken.